ACTUEEL

'Cliëntenraad zorgt niet voor tegenmacht’

'Cliëntenraad zorgt niet voor tegenmacht’

Er is veel te veel aandacht voor de positie van cliëntenraden, terwijl deze maar in heel beperkte mate bijdragen aan meer zeggenschap en medezeggenschap voor de cliënt. Dat zegt Pauline Meurs, hoogleraar bestuur van de gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en senator voor de PvdA, in een interview met Skipr.

“Cliëntenraden gaan heel erg lijken op de instituties waar ze invloed op moeten uitoefenen,” aldus Meurs. “Cliëntenraden worden als het ware gehospitaliseerd, terwijl je met een cliëntenraad juist tegenmacht wilt uitoefenen.”

Variatie

Meurs vindt ook dat er veel meer variatie in de vormen van medezeggenschap in de zorg moet komen. “Medezeggenschap moet een principe zijn voor alle instellingen, maar het is heel anders als je drie dagen in een ziekenhuis ligt, dan als je gedwongen opgenomen moet worden in een psychiatrische kliniek.” Daar moet in de vorm van medezeggenschap bij instellingen in de zorg ook rekening mee gehouden worden.

Bekijk het volledige interview met Pauline Meurs hier.

Dit artikel is onderdeel van een serie over de functie van cliëntenraden in de zorg. In het Skipr magazine nr.6 van juni 2012 staat een verslag van de Round Table over dit onderwerp die Skipr onlangs in samenwerking met De Veghte heeft georganiseerd.

2 Reacties

om een reactie achter te laten

Baur

24 mei 2012

Een heldere analyse en interessante oplossingsrichtingen. Maar waar blijven de cliënten zelf in dit verhaal? Prof. Meurs gaat voorbij aan de kracht van cliënten zelf, die als geen ander weten wat voor hen belangrijke aspecten zijn m.b.t. zorg en diensten. Wij herkennen de knelpunten rondom de formele medezeggenschap van cliëntenraden. Ons onderzoek laat zien dat cliëntenraden weinig invloed ervaren: managers bepalen veelal de agenda, strategische onderwerpen voeren de boventoon, cliëntenraden worden vaak te laat betrokken, met hun mening wordt weinig gedaan, en ze voelen zich bovendien overweldigd door de grote hoeveelheid papierwerk die zij geacht worden te bestuderen. Alternatieve vormen van medezeggenschap, die complementair kunnen zijn aan het werk van cliëntenraden, worden ontwikkeld en bestaan reeds. Zo hebben wij de PARTNER interventie ontwikkeld, samen met bewoners van verzorgingshuizen. Een groep cliënten bepaalt met elkaar welk onderwerp voor hen belangrijk is. Doordat zij hiermee als groep aan de slag gaan, gaan zij ervaren dat ze samen sterk staan. In gesprek met medewerkers, managers, vrijwilligers en eventueel anderen komen zij tot afspraken en samenwerking om de verbeteracties die zij zelf bedacht hebben, in de praktijk te brengen. Dit bevordert het wederzijdse inlevingsvermogen tussen cliënten en professionals, wat prof. Meurs van belang acht als basis voor zeggenschap. Dit proces vindt plaats onder begeleiding van een facilitator, een ondersteuner/gespreksleider die geen machtspositie heeft t.o.v. cliënten zodat zij vrijuit kunnen spreken. Hier zien we overigens ook absoluut de meerwaarde van het inzetten van betrokken vrijwilligers, zoals prof. Meurs betoogt. D.m.v. de PARTNER interventie zorgden bewoners bijvoorbeeld effectief voor het verbeteren van de maaltijden in een verzorgingshuis (zij zorgden er zelfs voor dat de keuken op locatie heropend werd) en zorgde een andere groep bewoners voor het versterken van het onderlinge contact tussen bewoners door het organiseren van ‘burenfeestjes’. De basis voor zeggenschap ligt volgens prof. Meurs in de individuele zorgrelatie tussen hulpverlener en cliënt. Minstens zo belangrijk voor cliënten is het ontdekken van gemeenschappelijke ervaringen, het bedenken van creatieve ideeën en oplossingen door cliënten zelf en het op die manier samen kunnen bijdragen aan het gemeenschapsleven en het welzijn van andere bewoners. Laten we waken voor de valkuil dat we, vanuit de beste intenties, denken dat de invloed van cliënten slechts door anderen dan henzelf vergroot kan worden.

drs. Vivianne Baur, drs. Femke Boelsma, drs. Susan Woelders, prof.dr. Tineke Abma, VU Medisch Centrum, Afdeling Metamedica

Bothmer

22 juni 2012

Cliëntenparticipatie is een moeilijk terrein. Omdat de instelling veel van de raad vergt en vraagt, terwijl heel vaak de mensen niet of nauwelijks voor het werk worden geschoold, getraind en begeleid. Daarnaast geldt dat men, zie veel sociale diensten, een raad heeft omdat het moet en er niet veel aandacht aan besteedt of alleen dan als het zo uitkomt. Cliëntenparticipatie is in 1984 door DIVOSA opgestart met proeftuinen en samen met zelforganisaties als het Samenwerkingsverband Mensen Zonder Betaald Werk en de Landelijke Kaderscholing Uitkeringsgerechtigden opgebouwd. Maar altijd werd het aan de instellingen overgelaten hoe men met het proces omging. Het trainingsaanbod van de LKU voldeed aan de verwachtingen van de cliënten, maar mocht niet meer van VWS (subsidie beëindigd).
Mensen motiveren om te participeren is een moeilijke zaak, vooral als men hen het gevoel niet geeft ze serieus te nemen en de middelen -dus ook het geld- om kennis en vaardigheden op te bouwen, te ontwikkelen en in te zetten. Daar hapert het en daar moet worden ingezet.
Via de lokale armoedeconferenties werken we in opdracht van gemeenten aan participatie van de financieel zwakkeren in de samenleving. Ook hier geldt dat er veel te weinig middelen aanwezig zijn. Ondersteuning vanuit de rijksoverheid is er niet, ondanks het feit dat de armoede, het aantal werkende armen, en het aantal werkzoekenden toeneemt. Participatie is meer dan koffie drinken met de leiding, het is een basisdeel van echte democratie. De politiek wijst wel steeds en met name waar het de financieel zwakkeren betreft op de eigen verantwoordelijkheid, maar schuwt het om zelf verantwoordelijkheid te nemen als het op het stimuleren van participatie aankomt.

Top