Artikel

Skipr 99: zorg dat je er bij komt

Geen sector met zoveel overlegtafels als de zorg. Het zijn even zovele plekken om invloed uit te oefenen. Veldspelers hebben een grotere rol dan voorheen. Wie zijn deze ‘zorgnetwerkers’? De Skipr 99 brengt de belangrijkste bestuurlijke beïnvloeders in beeld. Bekijk hier de ranglijst.

Zorg dat je er bij komt

Verre oorden

Weg van de Nederlandse denkkaders. Onder dit motto vliegt ieder jaar een select groepje zorgbestuurders op uitnodiging van adviesbureau InterimIC naar verre oorden. Met namen als die van Menzis-topman Roger van Boxtel en NZa-voorzitter Frank de Grave leest de deelnemerslijst van deze Zorginnovatiereis als een wie-is-wie van de cockpit van de Nederlandse zorg.
Op papier heeft de reis een informatief karakter, maar dagblad Trouw suggereerde vorig jaar dat er onderweg ook zaken worden gedaan. Zo zou er tijdens de reis naar de Verenigde Staten onder leiding van Menzis-voorman Roger van Boxtel en - toen nog VWS-topambtenaar - Martin van Rijn stevig onderhandeld zijn tussen verzekeraars en farmaceuten. Met een compromis in het moeilijke medicijnendossier als resultaat.
Aardig dat er journalisten zijn die zich zonder erbij geweest te zijn als reisverslaggever opwerpen”, reageert Nefarma-directeur Michel Dutrée. “Maar er is daar geen deal gesloten. Daarvoor was de zaak veel te ingewikkeld.” Toch is er tijdens de reis niet  alleen over koetjes en kalfjes gesproken. “Als je elkaar bij zo’n gelegenheid ziet, is het handig om over heikele kwesties te spreken. Zulk overleg is deel van de bestuurlijke dynamiek.

 

Meningsvorming

Het commentaar van Dutrée is illustratief voor de bestuurscultuur in de zorg. Van oudsher komen de verschillende stakeholders elkaar doorlopend tegen aan allerlei overlegtafels. De ene is formeler dan de andere, maar wie wil meetellen in de zorg doet er goed aan geen van deze tafels over te slaan. “Of  het nu beïnvloeding is of niet, daar wordt aan meningsvorming gedaan”, schetst Dutrée het belang van het overlegcircuit. “Het zijn ook de plekken waar je eens wat kunt laten vallen om te kijken wat de temperatuur van het water is.”
Wat zulke gremia gemeen hebben, is dat ze niet uitblinken door transparantie. Een goed voorbeeld vormen de zogeheten directienetwerken die vrijwel in alle segmenten van de zorg actief zijn. Over het hele land geteld zijn het er tientallen, maar zelfs de vereniging van zorgbestuurders NVZD kent het precieze aantal niet. Ook over de samenstelling bestaat onduidelijkheid. Dit komt mede doordat nogal wat van deze bestuurdersnetwerken een slapend bestaan leiden. Andere zijn niet meer dan veredelde eetclubjes.

Op schoot

Dit kan in ieder geval niet gezegd worden van Directiegroep 1. In weerwil van de stalinistische naam is Directiegroep 1 een typisch product van de Nederlandse poldercultuur. Binnen de groep hebben de ambtelijke top van VWS, verzekeraars en brancheverenigingen geregeld overleg over het reilen en zeilen in de curatieve zorg. Wat er precies binnen de directiegroep besproken wordt, blijft binnenskamers. Reden voor een deel van de achterban om zich fel tegen het fenomeen te keren. “Dat directienetwerk van VWS zou verboden moeten worden”, vindt bestuurder Hugo Keuzenkamp van het Westfries Gasthuis. “Ik geloof zelfs dat het pretentieus het  ‘decisionmakers network’ genoemd wordt.  Het bewijst dat er geen sector is waarin mensen zoveel bij elkaar op schoot zitten als de gezondheidszorg.”

Informeel informeren

Volgens Jaap van den Heuvel van de Reinier de Graaf Groep valt het met de ‘decisionmaking’ van Directiegroep 1 wel mee. “Daar wordt het beleid zeker niet gemaakt. Sowieso staan de NVZ, de STZ, directiegroepen of andere samenscholingsverbanden van ziekenhuizen erg laag in de rangorde. Een goede lobby is er naar mijn idee niet.”
Hoe ineffectief de directienetwerken volgens Van den Heuvel dan ook zijn als het aankomt op beleidsvorming, voor de buitenwacht blijven ze vanwege de geur van achterkamertjespolitiek verdacht. “Enorme flauwekul”, vindt bestuurder Wim van der Meeren van het Sint Elisabeth Ziekenhuis  in Tilburg. “Waar het om gaat, is dat er plekken zijn waar je elkaar zonder de druk van de pers of politieke correctheid op een integere manier kunt informeren.”
Rijst de vraag waar informeren overgaat in zaken doen. “Die grens is fluïde”, erkent Van der Meeren. “Maar we zitten niet samen te spannen of stiekem geld te verdelen. Het publieke belang staat altijd voorop.”

Trommels en vendelzwaaien

“Het is ook niet meer het hoogpolderen van tien jaar geleden”, gelooft Dutrée. “Toen werd echt alles van tevoren dichtgetimmerd om vervolgens een mooie show te kunnen opvoeren, compleet met trommels en vendelzwaaien. Door de omslag van een collectief naar een individueel stelsel hoef je niet meer noodgedwongen met alle partijen om de tafel te zitten. Toen moest je met iedereen een overeenkomst hebben om te kunnen bewegen, nu kun je met drie mensen al een aardige stap zetten.” Als typisch voorbeeld van ‘hoogpolderen’ noemt Dutrée de invoering van dbc’s. Iedere beroepsvereniging moest hierover zijn eigen zegje doen.
De teloorgang van het klassieke poldermodel manifesteert zich ook in het informele circuit. Was het voor belangenbehartigers binnen de centraal gestuurde zorg van weleer zaak om dicht bij de minister te zitten, door de decentralisering van de besluitvorming wordt het belangrijker om kennis te nemen van wat er elders gebeurt. Juist buiten de eigen branche treft de bestuurder van nu relevante gesprekspartners en bondgenoten.

Seneca-netwerk

Een goed voorbeeld van deze trend vormt het toonaangevende Seneca-netwerk. Door de nadrukkelijke bemoeienis van financiële dienstverleners als Fortis en pensioenfonds PGGM onderscheidt dit netwerk zich van de traditionele, branchegebonden overlegtafels. “Vrijwel alle vormen van overleg in de zorg zijn georganiseerd vanuit een belangenperspectief”, licht Cordaan-bestuursvoorzitter Eelco Damen de meerwaarde van het Seneca-netwerk toe. “Dat leidt tot een veel te eenzijdige benadering van de grote vragen in de zorg. Zo’n Seneca-netwerk biedt de mogelijkheid dat te overstijgen.”

Groeiende vervlechting

Ook op andere fronten wordt de doorbraak naar andere segmenten van de economie zichtbaar. Met de intrede van een op het bedrijfsleven geënt governance-model rukt een nieuw type toezichthouder op. Waren het vroeger hoogstens wat lokale notabelen die toezicht hielden in de zorg, sinds enkele jaren zien we steeds meer voormalige captains of industry en multi-commissarissen terug in de zorg. Wat opvalt, is dat banken bijzonder goed vertegenwoordigd zijn binnen deze nieuwe groep toezichthouders. Zo zijn bij de ING maar liefst vier commissarissen, onder wie oud-premier Wim Kok, in de zorg actief. De Rabobank heeft zelfs twee actieve bestuurders als toezichthouder in de zorg.

Zulke namen maken duidelijk dat er sprake is van een groeiende vervlechting tussen de bestuurlijke circuits in het reguliere bedrijfsleven en de zorg. Marktwerking is hier ongetwijfeld debet aan. Zorginstellingen beginnen meer en meer op gewone bedrijven te  lijken, waardoor in andere sectoren opgedane expertise aan gewicht wint.
Ook de economy of scales spreekt een woordje mee. Het buurtziekenhuisje van weleer is opgegaan in grote zorgketens met honderden miljoenen omzet. Gaat het om zulke bedragen, dan willen zwaargewichten als oud-VNO-NCW-voorzitter Jacques Schraven, Unilever-topman Kees van der Waaij of oud-PCM-baas Cees Smaling wel aanschuiven als commissaris of toezichthouder.

Punten scoren

Wat ook de motivatie van de toezichthouders nieuwe stijl moge zijn, zorginstellingen kunnen er hun voordeel mee doen. Al was het maar omdat zij een uitgebreid netwerk meebrengen. “Mensen die op verschillende plekken actief zijn, krijgen juist op grond daarvan een hoop macht toegedicht”, stelt hoogleraar bestuurskunde Paul Frissen. “Dat maakt dat ze effectief kunnen opereren.”
“Het gaat in de grote, boze buitenwereld nu eenmaal om punten scoren”, weet bestuurder Van der Meeren. “Dat wij bij het Sint Elisabeth de voorzitter van de WRR in de raad van toezicht hebben, is niet verkeerd. Dat opent deuren en je krijgt juiste informatie. Dus in onze overtuiging kan de raad van toezicht ook in dat opzicht niet zwaar genoeg zijn.”

Supercommissaris

Dat toezichthouders het netwerk van zorginstellingen kunnen versterken staat buiten kijf, maar de vraag dringt zich op welk belang zulke toezichthouders dienen. Een supercommissaris als Elco Brinkman schaakt op zoveel borden tegelijk dat hij het gevaar loopt de stukken door elkaar te halen. Als voorzitter van de raad van commissarissen van de Zuid As NV is Brinkman nauw betrokken bij de miljardenimpuls die Amsterdam-Zuid internationaal op de kaart moet zetten. Tezelfdertijd kijkt hij als toezichthouder mee in het VUmc, dat als groot ziekenhuis aan de Zuid As eigen belangen in het gebied heeft.

Vergelijkbare dilemma’s doen zich voor als politici bestuurlijke functies in de zorg vervullen. Nevenfuncties in de zorg zijn in ieder geval populair bij de volksvertegenwoordigers.
Maar liefst 26 leden van de Tweede Kamer hebben er een of meer. 10 Procent van de leden van de Tweede Kamer is tegelijkertijd toezichthouder of bestuurder bij een zorginstelling.
Zo is de VVD’er Willibrord van Beek voorzitter van de raad van toezicht van het Catharina Ziekenhuis in Eindhoven. Zijn partijgenoot Johan Remkes bekleedt dezelfde functie bij het Martini Ziekenhuis in Groningen. CDA’er Bas-Jan van Bochove is zowel bij de Stichting Maatschappelijke Dienstverlening Flevoland als bij de Stichting Coloriet (wooncentrum en verpleeghuis) voorzitter van de raad van toezicht.
Nog eens 5 procent van de Kamerleden heeft een andere nevenfunctie bij een zorginstelling, meestal een lidmaatschap van een comité van aanbeveling voor een of ander mooi zorginitiatief.

Abstract dilemma

Dat soort functies levert weinig bezwaar op. Maar hoe zit het met Kamerleden die toezicht houden op ziekenhuizen? Komen die niet klem te zitten als ze in de Kamer wetgeving maken over diezelfde ziekenhuizen?
Neem Margreeth Smilde (CDA), onder meer woordvoerder financiering cure van het CDA. En tegelijk lid van de raad van toezicht van de Saxenburgh Groep die een ziekenhuis en een GGZ-instelling in Hardenberg, een dagziekenhuis in Coevorden, een polikliniek in Ommen en vier zorgcentra in diezelfde regio omvat. Als het zo uitkomt, laat ze graag weten dat het CDA streekziekenhuizen belangrijk vindt en dat ze daarom het RVZ-advies om klinische zorg te concentreren in topklinische en grote ziekenhuizen, afwijst.

Voelsprieten in de samenleving

Belangenverstrengeling? Smilde zelf vindt van niet, al heeft ze wel oog voor het dilemma. “Maar tot nu toe is het een abstract dilemma. Mijn Kamerlidmaatschap is goed te combineren met mijn functie in de raad van toezicht van de Saxenburgh Groep. En zodra ik merk dat het niet meer samen gaat, ben ik de eerste om te stoppen met mijn rol als toezichthouder.” Smilde ziet vooral veel voordelen van haar nevenfunctie. “Ik doe dankzij nevenfuncties ontzettend veel nuttige informatie op”, zegt ze. “Het is belangrijk om je voelsprieten in de samenleving te hebben. Daar ondervind je hoe de dingen die wij in Den Haag bedenken in de praktijk uitpakken. Het CDA moedigt ons aan om dit soort functies te bekleden.”

Opschudding

Maar wat als het abstracte concreet wordt? Onlangs kwamen de kleine ziekenhuizen in het verweer tegen minister Klinks plannen om de financieringssystematiek op de schop te nemen. De kleine ziekenhuizen – waaronder het Röpcke Zweers ziekenhuis van de Saxenburgh Groep  - raakten in die plannen hun bereikbaarheidstoeslag kwijt en daarmee kwam bij enkele meteen de exploitatie op de tocht te staan.
Ook in dit specifieke geval kon Smilde haar beide petten naar eigen zeggen goed uit elkaar houden. “In de Kamer doen wij aan algemeen beleid dat geldt voor alle ziekenhuizen. Dit is maar één van die kleine ziekenhuizen. En mijn collega Janneke Schermers heeft het woord gevoerd over die kwestie.”

Grijs gebied

Hoogleraar public governance Hans Bossert van Nyenrode Business School vindt dat Smilde in een ‘grijs gebied’ opereert. “Als Kamerlid beslis je mee over de zorgbegroting,. Als je dan tegelijk toezicht houdt op de bedrijfsvoering en de inhoud van de zorg bij een instelling, dan zit je er dubbel in. Dat kan knellen. Aan de andere kant heeft een Kamerlid al een toezichtrol, je zou ook kunnen zeggen dat het daarom heel goed te combineren is. Het vergroot de kennis van het Kamerlid, dat is een plus. Ik denk dat je beide rollen kunt combineren, mits je voldoende afstand houdt tot de specifieke instelling waar je in de raad van toezicht zit. Laat ik het zo zeggen, als een Kamerlid nu betrokken zou zijn bij de IJsselmeerziekenhuizen, zou hij daarover nu geen Kamervragen moeten stellen.”

Pauline Meurs, hoogleraar Bestuur van de gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit, senator (PvdA) en zelf voorzitter van de raad van toezicht van de Alysisgroep, ziet ook een dilemma. “Je wilt dat volksvertegenwoordigers maatschappelijk actief zijn en verbonden zijn met wat er in de samenleving gebeurt. Tegelijk moeten ze hun werk in de Kamer in volledige onafhankelijkheid doen. Als een Kamerlid bijvoorbeeld een rol heeft bij een bouwbedrijf en je bent voorzitter van een Kamercommissie die veel met de bouw te maken heeft, dan liggen loyaliteitsconflicten op de loer. Meestal kunnen de betrokkenen hun verantwoordelijkheden zelf wel scheiden. Maar hoe kijkt de buitenwereld er tegenaan? Dat speelt ook een rol en daarom hanteer ik het principe om bij twijfel niet in te halen. Het gaat om een afweging die iedereen zelf moet maken in zijn eigen specifieke geval.”

Onvoldoende afstand

Behalve Tweede-Kamerleden zijn er ook heel wat lokale bestuurders die in de raad van toezicht van een zorginstelling zitten, doorgaans in hun eigen gemeente. Beide hoogleraren wijzen die praktijk af. “Daar ligt het veel duidelijker”, zegt Meurs. “Op lokaal niveau spelen veel directere belangen, bijvoorbeeld discussies over bestemmingsplannen. Of met de WMO.” Bossert noemt nog een tweede reden waarom het onwenselijk is dat een wethouder of burgemeester zo’n rol speelt: “Ze gaan vaak in zo’n raad van toezicht zitten vanwege het gemeentebelang, maar daar gaat het niet om. Het gaat om het belang van de instelling. En ze hebben onvoldoende afstand ten opzichte van zo’n zorginstelling.”
Bestuurders van een zorginstelling dan, mogen die toezicht houden bij een collega-instelling? “Niet doen als het in dezelfde regio is”, vindt Meurs. “Niet doen”, zegt Bossert. “Zeker niet in de huidige tijd van schaalvergroting en fusies.” 
Duidelijk is dat de groeiende bestuurlijke complexiteit een groot beroep doet op de integriteit van bestuurders en toezichthouders. Tezelfdertijd is het in een complexe omgeving van levensbelang om een stevig netwerk op te bouwen. Zorg dat je erbij komt dus, maar prudentie blijft geboden.  

Verantwoording

Hoe deze Skipr 99 tot stand is gekomen, staat in de verantwoording.
Bekijk hier de Skipr 99 ranglijst.

0 Reacties

om een reactie achter te laten
Top