Artikel

Marjanne Sint neemt voorzichtig risico’s

Een rechte rug, verantwoordelijkheidsgevoel, bestuurlijk en zakelijk inzicht, Marjanne Sint heeft het allemaal. Zelfkennis is haar evenmin vreemd: “Ik ben niet wars van risico’s, maar ik mijd driestheid.”

Door Willem Wansink. Uit: Skipr Magazine 09, september 2009

Sinds 2007 is Marjanne Sint (60) bestuursvoorzitter van de Isala klinieken in Zwolle. Ze staat erom bekend dat ze op de penning is. Volgens haar moet een bestuurder zoveel mogelijk risico’s kunnen overzien en beheersen: “Ik laat me leiden door het uitgangspunt dat wij van de zorg zijn en dus van alle burgers.”
Dit najaar begint ze aan een groot nieuwbouwproject. Daar kan ze ’s nachts wakker van liggen: “De nieuwbouw kost vele miljoenen euro’s. Maar ik ben een voorzichtige financier, zowel in mijn particuliere leven als voor het ziekenhuis. We dekken onze renterisico’s keurig af, net als dat we met de bouwer het prijsrisico afdekken. En we gaan niet speculeren op renteontwikkelingen.”

Vertrouwen

Elke ziekenhuisbestuurder hoort bovenal te begrijpen wat zijn belangrijkste medewerkers drijft, allereerst de medisch specialisten: “Je moet mensen vertrouwen. Geef ze de ruimte om hun kwaliteiten optimaal tot gelding te brengen. Je moet  niet voortdurend in hun zon willen staan, dan ben je misschien wel een grote boom, maar groeit er verder helemaal niets. Doe de dingen dus zo dat je mensen in de goede richting met jou willen meewerken.”
Zelf is ze niet afkomstig uit de gezondheidszorg. Daarom liep zij voor haar aantreden een maand lang mee op diverse afdelingen. Van dichtbij maakte ze onder meer een grote aorta-operatie mee: “Als bestuurder moet je je kunnen verplaatsen in de denk- en leefwijze van de artsen. Zij functioneren in een volkomen andere wereld. Tijdens een operatie hebben zij alle aandacht en concentratie nodig. Dat is een speciale mindset. Fascinerend.”
“Elke medische specialist moet precies weten wat hij doet. Hij moet een exacte diagnose kunnen stellen en niet ongeveer de juiste. Hij hoort nauwkeurig te bepalen wat een patiënt mankeert, waar het euvel zit en wat de exacte behandeling moet zijn. Hij wil dat het helemaal goed is wat hij doet.”
“Een bestuurder, ook ik, wil ergens uitkomen. Je zet een stip op de horizon, maar je weet niet exact hoe je daar moet komen. Er is altijd een andere weg mogelijk of een U-bocht. De kunst is aanknopingspunten te vinden en respect te blijven opbrengen voor de rationaliteiten van je specialisten.”

Ziekte

Ze weet wat ziekte is. Jaren geleden moest ze enkele grotere ingrepen ondergaan, maar ze heeft niet de indruk dat dit haar heeft getekend: “Ik ben zoals 99,9 procent van alle patiënten. Ik ben naar een ziekenhuis gegaan omdat mijn huisarts zei dat het daar goed was. Ik heb er geen moment bij stilgestaan dat je een andere afweging kon maken.” Onlangs werd ze geopereerd aan een meniscus, in haar eigen ziekenhuis. Ze had het raar gevonden als ze dat niet daar had laten doen. Ze heeft er een positieve indruk aan over gehouden.
Haar oudste broer, Wim, was zeventien toen hij aan de ziekte van Duchenne overleed. Tegenwoordig worden deze patiënten iets ouder, 25, 27 jaar. Duchenne is een geleidelijke gehele spierverlamming, uiteindelijk ook van het hart: “Mijn oudere zus heeft daar meer van meegekregen dan ikzelf en mijn jongste zus. Als kind zijn veel dingen trouwens normaal: ik dacht dat elk gezin iemand als Wim had.”
Ze groeide op in een bovenwoning in het centrum van Amsterdam. Altijd zal ze waardering blijven houden voor de Taxi Centrale Amsterdam: “Wim ging naar de mytylschool voor kinderen met een lichamelijke handicap. Er was geen vervoer. Jarenlang hebben de taxichauffeurs van de TCA hem gehaald en gebracht. Voor niets, mijn ouders hoefden geen cent te betalen. Van twee hoog naar beneden en weer terug. Elke schooldag.”

Calvinistische meetlat

Zij is niet gelovig opgevoed. Haar vader komt uit Den Haag, haar moeder uit Hedel bij Den Bosch.
Beide zijn ze allang overleden. De grootouders van moederskant waren rooms-katholiek, van haar vaders kant waren ze Nederduits-Hervormd: “Destijds gold het gezegde ‘Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen’. Mijn ouders hebben dit probleem opgelost door allebei het geloof af te zweren. Bijzonder voor die tijd.”
“Mijn moeder was erg tolerant. Mijn vader kon strikter zijn. Zij heeft ons bijgebracht dat geloof voor mensen veel waarde kan hebben, maar dat je je eigen opvattingen niet aan anderen hoeft op te dringen. Ik heb van huis uit meegekregen dat je respect en inlevingsvermogen hoort te hebben voor posities die niet per se de jouwe zijn.”
“Mijn moeder leek in haar houding en instelling meer op de katholieken van boven de grote rivieren. In dat opzicht waren mijn beide ouders nogal calvinistisch in hun plichtsbetrachting. Ik heb dat ook. Als je mij langs de calvinistische meetlat legt, scoor ik hoog. Ik heb een hoog arbeidsethos, net als mijn ouders en mijn zussen.”
“Als kind ging ik altijd al voor een tien en nooit voor een zes. Had ik dat niet gedaan, dan was ik nooit zo ver gekomen. Geen competitie; ik wil niet steeds de beste zijn. Het is mijn eigen drive om dingen zo goed mogelijk te doen, om geen genoegen te nemen met iets halfbakkens.”

Rood nest

Haar grootvader van moederskant was slagersknecht en grootmoeder huisvrouw. Haar grootvader van vaderskant was timmerman en ook zijn echtgenote deed het huishouden. Een eenvoudig bestaan, haar vader ging op zijn twaalfde jaar werken. Haar moeder deed de MULO en moest op haar zestiende gaan werken.
“Mijn ouders hebben op latere leeftijd en tot ver in hun huwelijk allerlei avondstudies en nascholingen gevolgd. Mijn vader begon als portier en eindigde als chemisch analist op het laboratorium voor fysische chemie van de Universiteit van Amsterdam. Hij was actief in de vakbeweging. De NVV, de ABVA. Toen ik tien was, is mijn moeder weer gaan werken. We waren een beetje een ‘rood nest.’ Lid van de VARA. Mijn ouders luisterden niet naar de KRO en de NCRV.”
“Ik mag dan geen gelovige achtergrond hebben, ik heb wel een natuurlijke affiniteit met mensen uit de voormalige Anti-Revolutionaire Partij, de ARP. Een deel van de PvdA wortelt in deze christelijke hoek. Dat heeft te maken met de doorbraakgedachte van na de Tweede Wereldoorlog. Ik houd van een bepaalde morele ernst. Dat herken ik in Piet-Hein Donner, de huidige CDA-minister van Sociale Zaken. Ik vind hem een geweldige man. Wat een denkraam. Strak, serieus.”

Zweverig

Ze keert zich tegen de hebzucht: “Het gaat in het leven niet alleen om het eigen voordeel, het eigen gelijk of de eigen positie. Je moet je steeds afvragen wat je doet. Welke verantwoordelijkheid ben ik bereid te dragen? Uiteraard moet er in alles wat je doet iets van en voor jezelf zitten; totaal altruïsme wordt gauw zweverig. De mens hoort niet alleen voor het grote geld te gaan. Ik heb veel meer waardering voor personen die een authentieke drijfveer en een morele dimensie hebben.”
“Ik probeer altijd mijn grenzen te verleggen. Mijn ouders zeiden dat ik dit als kind al had. Ik stond mezelf moed in te praten om dingen te doen die ik doodeng vond. In Artis heb ik een keer mijn bal opgeraapt die pal voor de kooi met de caracals was gerold. Grote dieren die op katten lijken, ze zaten bijna op gezichtshoogte en bliezen behoorlijk als je in hun buurt kwam. Dat vond ik als kind heel eng. En toch heb ik die bal gepakt.”
Ze legt de lat hoog: “Ik word niet uitgedaagd door ja-knikkers. Ik heb graag goede mensen om mij heen. Hoe beter de mensen in mijn naaste omgeving zijn, hoe beter ik functioneer. Ik hecht eraan dat zij hun verantwoordelijkheid nemen en zich daarin vrij voelen. Mensen die heel goed weten wat zij moeten doen, mag je niet kort houden. Dan worden ze knorrig.”
“Ik ben een controlfreak. Ik houd wel in de gaten of het goed gaat. Ik laat iedereen op gezette momenten bij mij terug komen om even af te tasten en te sparren. Kan het zo verder? En dan weer gaan. Anders kun je geen leiding geven aan dit soort grote organisaties.”
Haar zwaktes? “Soms ben ik te perfectionistisch. Ik kan ongeduldig zijn. Ik heb echt moeten leren dat het betere soms de vijand van het goede is, dat niet alles altijd perfect hoeft te zijn. Bovendien ben ik te raken als mijn integriteit in het geding komt, wanneer mensen mij ervan verdenken dat ik dingen doe die ik helemaal niet doe.”
“Ik kan ook rechtlijnig zijn. Je kunt niet over elke beslissing met iedereen overleggen. Neem ons parkeerprobleem. We hebben te weinig plaatsen. Ik heb besloten dat onze schaarse parkeerruimte bij voorrang beschikbaar is voor onze patiënten en hun bezoekers en niet voor onze medewerkers. Zij mogen verderop parkeren. Dat was even slikken. Maar ik kan die auto’s niet stapelen. Als bestuurder mag je niet weglopen voor dit soort besluiten of voor kritiek. Inderdaad, je moet niet lafhartig zijn.”
Ze lacht breeduit: “Oh ja, en ik praat teveel. Soms. En ik heb de onstuitbare neiging om vanuit een stelling te redeneren. Dan spreekt niet iedereen je spontaan meer tegen, terwijl ik dat juist erg op prijs stel.”

0 Reacties

om een reactie achter te laten
Top