Artikel

Carter: ‘Als de cijfers niet kloppen, ga ik moeilijk doen’

Ze was illegaal en sliep op straat. Nu geeft ze leiding aan tweeduizend medewerkers. Elisa Carter maakte een bliksemcarrière in de Nederlandse zorg. ‘Ik kan frivool zijn, maar bewaak wel de grenzen.’Door Willem Wansink. Uit: Skipr Magazine 1, januari 2010

Wat haar drijft? Een brede lach op haar gezicht: “Ik wil verschil maken. Als persoon, hoe ik in het leven sta. Hoe ik mijn werk doe en omga met mensen. Dare to be different.” Haar ogen schitteren: “Het leven bestaat uit mensen, het gaat om mensen. Alleen samen vorm je een groter geheel. Anders is het erg leeg en eenzaam.”

Een gulle, sprankelende persoonlijkheid. In 1979 vertrok Elisa Carter (54) vanuit Suriname naar Nederland. Op een Guyanees paspoort, omdat ze in Georgetown werd geboren en nooit Surinaamse werd. Ze wilde zo snel mogelijk leren hoe ze leiding kon geven. In Nederland, dacht ze, kon ze sneller carrière maken: “Ik wilde de baas worden.”

Ze begon als illegaal; voor Guyanezen bestond geen opvang. Acht maanden zonder verblijfsstatus, zonder werkvergunning of geld. Ze zat ondergedoken, was dakloos en soms sliep ze op straat: “Je doet alles om te overleven.” Ze bereikte haar doel. Nu is ze bestuurder van GGzE Eindhoven en de Kempen, een bedrijf met bijna tweeduizend medewerkers.

Ze heeft gekozen voor een organisatie die zich richt op personen met psychiatrische aandoeningen: “Wij concentreren ons op zeer kwetsbare patiënten. Zij hebben veel zorg nodig. Deze groep mensen groeit snel. Hun zorg halen zij bij ons.” Het geeft haar een kick te helpen: “Ik sta niet in de voorste linies. Maar mijn medewerkers hebben elke dag met de patiënten te maken. Zij maken het verschil. Het geeft mij een goed gevoel dat ik daaraan leiding mag geven.”

Verkeerde medicijnen

Haar beide ouders komen uit Brits-Guyana, maar haar vader heeft ze amper gekend. Hij stierf op jonge leeftijd: “Ik weet niet eens of hij ooit met ons speelde of gek deed. Ik kan me alleen de dag herinneren dat hij dood ging.” Ze was bijna vijf jaar oud: “Mijn vader reed een Harley Davidson. Je hoorde hem altijd aankomen. Mijn moeder, mijn oudere broer en ik waren thuis. We begonnen te rennen: daddy, daddy, daddy.” Toen ze de deur open deden, kwam haar vader al naar binnen gewankeld: “Hij had een wit hemd aan en een donkere broek. ‘What’s going on?,’ zei mijn moeder. Ze ving hem op. Met moeite kregen ze hem de trap op. Mijn vader was zwaar. Hij viel op bed en begon hard te praten. Opeens was het voorbij. Daarna zie ik alleen familie in de kamer. Mijn granny, tantes, neven en nichten. Mijn vader had de verkeerde medicijnen gekregen; hij was al een poos ziek, hij werd behandeld voor tbc. Die ochtend was hij nog bij de dokter geweest.”

“Hij was houtexpert. Hij beoordeelde tropisch hout uit het Caribisch gebied op bruikbaarheid. Dat deed hij namens de overheid, hij was ambtenaar.” Haar moeder had een schoonheidssalon. Zij hertrouwde met een Surinaamse man. Daardoor kwam het gezin in Suriname terecht.

“Mijn grootmoeder en grootvader van vaderskant heb ik gekend tot wij verhuisden. Mijn grootvader was kort daarvoor overleden. Hij hield erg van ons, we wisten alles van hem. Hij was gepensioneerd, soms pestten we hem een beetje. Hij was eigenaar van een plantage, hij stamde af van slavenhandelaren op Barbados en plantage-eigenaren in het Caribisch gebied.”

Bijna timide. Zachte stem: “Hij was half blank, niet puur Afrikaans. Zijn moeder en vader waren weggelopen omdat ze niet met elkaar mochten gaan. Zij was de dochter van de plantage-eigenaar.” Ze heetten allebei Carter: “Hij kreeg die naam als nazaat van een ‘vrije slaaf’ van zijn eigenaar. En zij heette zo, omdat ze de dochter van de baas was.” Haar antwoord eindigt in een lachsalvo.

Haar moeder leeft nog. Olga Osborne was het enige kind van een zwarte moeder en een ‘dubbel-bloed’ vader (witte vader, zwarte moeder). Ze kreeg zeven kinderen: drie meiden, vier jongens. Elisa was de tweede, Wyatt de eerstgeborene, de oudste zoon: “Wij noemden hem Junior. Juni, omdat hij net zo heette als mijn vader. Hij was mijn maatje. De meeste Carters lijken op elkaar. Hetzelfde gezicht, meestal bruine ogen, net als ik, en een brede neus. Maar Juni had witte trekken, een spitse neus en smalle lippen.” Hij overleed twaalf jaar geleden. “Traumatisch. Je ziet eerst je vader doodgaan en dan je broer. Toen kwamen de herinneringen en de beelden.”

Liberaal

Haar bestaan draait om personen: “Als iemand binnen mijn wereld- en mensbeeld past, voel ik daar iets voor.” En nee, ze is niet politiek geëngageerd: “Ik ben niet zo diplomatiek. Dat spel kan ik niet goed spelen.” Ze neigt meer naar de liberale dan naar de puur sociale kant: “De liberalisering in de zorg houdt ons scherp. Je moet steeds opnieuw de balans zoeken. Er zijn ook anderen die ons werk kunnen doen. Misschien doen ze dat zelfs beter, of met minder geld. Ik zeg altijd: neem deze uitdaging aan. Kijk anders naar je organisatie en verander haar als dat nodig is. Maar nieuwe aanbieders mogen niet jouw geld krijgen alleen om met jou te concurreren.”

Een voorbeeld. Binnen de regionale instellingen voor ambulante geestelijke gezondheidszorg is de concurrentie snel toegenomen. Er zijn instellingen bijgekomen die enkelvoudige psychotherapeutische problemen sneller en beter behandelen. Zij halen de krenten uit de pap. Carter: “Ze werken met strakke protocollen. Ze kijken niet naar de context van een stoornis, maar uitsluitend naar de invaliderende klacht van de patiënt. Dat is goedkoper.”
De GGzE kan daar niet tegen concurreren, omdat ze een grote overhead en duurder personeel heeft en aan tijdrovend wetenschappelijk onderzoek doet: “Er moet meer keuze komen voor de patiënt. Dus steunt de financier, de overheid, de nieuwe toetreders. Maar het ministerie van Volksgezondheid heeft te weinig oog voor de gevolgen van haar beleid. Zodra de nieuwe toetreders op hun poli’s te maken krijgen met een complexere en duurdere zorgvraag, schuiven zij de patiënt naar ons af. En wij mogen voor de kosten opdraaien, terwijl het maximumtarief niet past bij de zorgzwaarte.” Dat is unfair, vindt zij.

Luisteraar

De GGzE bevindt zich in een overgangsfase: “We zijn bezig met een forse reorganisatie, we herijken onze zorg en ons financiële beleid.” Deze ontwikkelingen moeten leiden tot doeltreffende zorg in een helende omgeving en een financieel gezonde organisatie. Een zorgorganisatie doorstaat dit soort woelige tijden alleen als de leiding als team optreedt: “Goed is niet goed genoeg: de relatie met je medebestuurder en de directeuren moet perfect zijn. Op school is goed een acht. Daarna komen nog twee cijfers. Je moet elkaar begrijpen, scherp houden en aanspreken. ‘Zeg je echt wat je bedoelt? Bedoel je wat ik begrijp? Snap ik wel wat jij bedoelt?’ Dat soort vragen.” Dit levert spanningen op. “Die mag je niet uit de weg gaan.”

Als gepassioneerde Caribische vrouw signaleert ze cultuurverschillen. Zij is een luisteraar: “Ik kijk en observeer. Ik kom pas later uit de hoek.” Als ze het antwoord niet meteen weet, begint ze te redeneren: “Bij mij is redeneren hardop nadenken. Wikken en wegen. In mijn hoofd en buik buitelt alles over elkaar heen. Dan zie je medewerkers denken: ‘Wat zegt ze nou?’”

“Het is een kwestie van temperament. In een discussie over de reorganisatie of een financiële kwestie, wil ik dat iedereen zegt wat hij denkt. Als iemand een goed idee heeft en het past een beetje bij mij, dan maken we er iets moois van. Dan regelen we het. Kom maar, vertel, vertel. Wat wil je? Rechts, links, boven, onder. Oké. Het is een appel geworden, of een peer. Dat is een andere manier van werken, maar wel de mijne.”

 “Ik ben graag vrolijk en geef iedereen de ruimte. En ik kan frivool zijn. Dat vind ik het leukste. Maar ik bewaak wel de grenzen: zakelijk, zuiver, soms te precies. Ik schroom niet om aan te geven dat ik het ergens niet mee eens ben. Ik geef heus niet altijd strak leiding, want ik ben meer van het organische. Maar als de cijfers niet kloppen, ga ik moeilijk doen. Niemand kan zijn hoop hier neerleggen en daarna achterover leunen. Ik heb niets aan verklaringen, ik wil weten wat het probleem is. Hoe komt het dat er een tekort opduikt? Als de jaarrekening niet klopt, moet ik naar mijn raad van toezicht. Dan ligt het probleem op mijn bord. Dus wil ik weten hoe het zover is gekomen. En daarna beslis ik of ik help of niet.”

Winti

Ze is niet gelovig, al werd ze methodistisch gedoopt en gaat haar moeder nog steeds naar de kerk. Vroeger ging zij mee, maar toen ze zelf kon bepalen wat ze deed, is ze ermee gestopt: “Ik heb de essentie van het christendom nooit begrepen. Ik vond het een gruwelijk verhaal dat Jezus gemarteld is en voor ons aan het kruis gestorven is. Als kind was ik daar helemaal van ondersteboven.”
“Er is voor mij wel iets dat boven de mensheid staat. Als mensen zeggen: ‘Dat is God,’ dan is het zo. Maar ik geloof in spiritualiteit: wat er in mij en in andere mensen zit. Dat drijft mij. Er is ‘iets’ boven ons dat het gras doet groeien en alles regelt wat er in de natuur gebeurt. Het heeft te maken met aura’s en met beleving. Welke betekenis geef ik aan het feit dat de zon soms op mijn huid mag schijnen en dat ik kan genieten van een storm? Dat is wetenschappelijk niet altijd te verklaren.”

Er zijn dingen die buiten haar om kunnen gebeuren: “Ik ben geïnteresseerd in sjamanistische rituelen. Anderaardse belevingen. Waar ik vandaan kom, is dat heel gewoon, daar let je op dit soort dingen. Soms voel je aankomen wat er straks gaat gebeuren. Dan zit de gebeurtenis al eerder in je lichaam. Dat is winti: een eigen cultuur. Als je een onderdeel van je leven niet goed hebt afgesloten, kun je een ritueel uitvoeren. Daardoor krijg je de ruimte om dingen af te maken en een plek te geven in je leven.”

Ze weet dat haar benadering soms wringt. En ze heeft ervaren dat andersdenkenden hier niet vanzelfsprekend welkom worden geheten: “In Nederland word je niet met open armen ontvangen. Je moet presteren. De mensen moeten je interessant genoeg vinden om samen met jou belangrijke dingen te doen. Ik heb me welkom gemaakt in de sector waar ik werk. Ik heb me bewezen. Maar de starheid, de rationaliteit en de bijna emotieloze benadering die je soms in het werk moet hebben, kan ik niet voortdurend opbrengen. Omdat ik niet zo ben. Ik kan me niet anders gedragen. Ik wil flexibiliteit, emoties en franjes blijven toelaten.”

0 Reacties

om een reactie achter te laten
Top