Artikel

Skipr 99 Uitvergroot: Ina van Berckelaer-Onnes – 67

Philadelphia is te snel met Woonzorg Nederland en de Evean Groep tot de fusie in Espria overgegaan. Daardoor is de afstand met de werkvloer te groot geworden. De besturen waren weliswaar toe aan de fusie, geloofden daar ook heilig in, maar het personeel, ouders en cliënten nog niet. In feite is er een fase overgeslagen. Dat is voor Ina van Berckelaer-Onnes de voornaamste les die zij als toezichthouder bij Philadelphia heeft geleerd. Maar, stelt ze, “Ik heb de roerige periode bij Philadelphia helemaal niet zo slecht ervaren als het beeld dat in de media is geschapen.”  Het heeft Philadelphia weer tot haar kerntaak teruggebracht, meent ze.

Van Berckelaer-Onnes heeft als directeur  van het Ambulatorium, een aan de Leidse Universiteit (sociale wetenschappen)  verbonden kliniek waar ouders terecht kunnen voor de diagnostiek en behandeling van kinderen met problemen op het gebied van gedrag, ontwikkeling en leren, in de jaren tachtig al kennis gemaakt met Philadelphia. Ten tijde van de voorbereidingen van de fusie trad ze in 2006 toe tot de raad van commissarissen van Philadelphia.

Fusie en verzelfstandiging

“De beoogde fusie was op bestuursniveau goed doordacht, een samenwerking tussen Philadelphia, woonzorg en thuiszorg  leek veelbelovend. Deze gedachte werd niet gedeeld door de werkvloer van Philadelphia die een verlies aan kwaliteit van zorg voorzag en de beoogde handhaving van kleinschaligheid zag verdwijnen.” Al snel na de fusie (2008) ging het fout en bleek Philadelphia fors in de rode cijfers te staan. Philadelphia had te veel vastgoed in huis gehaald en haar aandacht te veel verbreed. Philadelphia wilde weer terug naar de kern: de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Er was geen draagvlak meer voor de fusie. Uiteindelijk heeft Philadelphia zich weer losgemaakt van Espria en is zij tot verzelfstandiging overgegaan.

Van Berckelaer-Onnes is als toezichthouder mee terug verhuisd naar Philadelphia. Het lukte haar wonderwel om de publiciteit rond haar persoon ‘aardig te drukken’.  “In de warrige periode heb ik me buiten de publiciteit weten te houden. Destijds was ik in de raad van commissarissen de enige met ervaring op de werkvloer. Dat is ook voor Philadelphia de reden geweest om mij terug te vragen.” Van Berckelaer-Onnes wilde alleen terugkomen als de Ondernemingsraad, de cliëntenraad en de participatieraad hier ook mee instemden. Ze is immers wel ‘meegegaan’ in de fusie.

De ronde langs de verschillende raden heeft ze goed doorstaan en ze is vervolgens als kwartiermaker aan de slag gegaan. Met haar collega’s Roel Robbertsen en Greet Prins probeert ze de focus van Philadelphia weer terug te brengen naar de core: de cliënt. De kwartiermakers zijn in eerste instantie de financiële problemen gaan oplossen. Zo zijn  de  meeste van  de  veelbesproken vastgoedprojecten verkocht. Van de vastgoedtransacties van Philadelphia is ze nooit gecharmeerd geweest.  Daarnaast is de hulpvraag van de cliënt centraal gesteld. Uiteindelijk is Philadelphia een hele goede club  die zeer goed  voor zijn cliënten zorgt en medewerkers heeft die  zich daar met hart en ziel voor inzetten, stelt ze. Van Berckelaer-Onnes  is ook blij met de benoeming van Greet Prins als voorzitter van de raad van bestuur. Prins heeft het klantdenken in haar genen, zo stelde de bestuursvoorzitter onlangs zelf in een interview met Skipr. Van Berckelaer-Onnes beaamt dit.

Mens van de vloer

Ina van Berckelaer-Onnes is naar eigen zeggen een mens van de vloer. Ze is daarom ook verbaasd dat ze op de 67e plek van de Skipr 99, de ranglijst van de invloedrijkste beslissers, is geëindigd . Ze streeft ernaar invloed uit te oefenen op de zorg, maar het draait uiteindelijk om goede zorg en niet om haarzelf. Ze was tot 2007 hoogleraar orthopedagogiek aan de universiteit van Leiden, heeft grote klinische en wetenschappelijke  interesse in ontwikkelingsstoornissen, met name  autismespectrumstoornissen en verstandelijke beperkingen. Ze zet zich als adviseur  regelmatig in voor het Centrum voor Consultaties en Expertise (CCE).

Het CCE is opgericht na de kwestie rond Jolanda Venema. De gehandicapte en ernstig gedragsgestoorde Venema verbleef in een instelling waar zij met een Zweedse band die met een touw aan de muur vastzat. Haar ouders brachten in 1988 foto’s van haar erbarmelijke situatie naar buiten. De discussie over de kwaliteit van de gehandicaptenzorg domineerde wekenlang de media. Het CCE bekijkt afzonderlijke casussen om een onafhankelijk oordeel te vellen over dergelijke gevallen. Daarbij wordt uiteraard ook de instelling zelf onder de loep genomen.

In de jaren negentig heeft Van Berckelaer-Onnes samen met de  CCE ‘aardig wat’ mensen uit de isoleercel mogen halen. Het streven is uiteraard om alle isoleercellen te elimineren, maar de vraag of dat haalbaar is, durft Van Berckelaer-Onnes niet te beantwoorden. “We moeten goed kijken naar de functie van het isoleren. Waarom is separatie in een bepaald geval nodig? En kunnen we niet het roer omgooien, de structuur veranderen en  de behandeling/begeleiding aanpassen? Omwille van de veiligheid van het personeel of de medebewoners kan het soms nodig zijn iemand in een separeerruimte te laten afkoelen, maar dit  mag nooit therapie zijn, en zeker  geen gewoonte worden! En langdurige opsluiting is helemaal uit den boze.”

Vermaatschappelijking kwetsbare groepen

De inclusie, of vermaatschappelijking,  van kwetsbare groepen staat volgens Van Berckelaer-Onnes niet stil. “In de jaren tachtig zijn we wel wat doorgeslagen. We zijn nu voorzichtiger geworden, en terecht. We moeten niet iedereen in een rijtjeshuis willen plaatsen. Sommige mensen komen beter tot hun recht in de afgeschermde omgeving van een instelling. Waar het mogelijk is moeten deze groepen zeker participeren in de samenleving, maar het moet wel realistisch blijven. Het geluk van de individu staat centraal.”

Van Berckelaer-Onnes heeft ook plaats in de Evaluatie- en adviesCommissie Passend Onderwijs (ECPO). Deze commissie evalueert de experimenten en veldinitiatieven Passend onderwijs en adviseert de staatssecretaris van OCW over de vormgeving van Passend Onderwijs. Doel is het regulier onderwijs zo te verbeteren dat kinderen die nu buiten de boot vallen daar wel terecht kunnen. Voor het speciaal onderwijs zijn beperkte financiële middelen beschikbaar. Als het potje leeg is dan is het leeg. Het ECPO brengt  eind  2011 advies uit over een nieuwe structuur voor Passend Onderwijs.

Drie pijlers

De combinatie van klinisch werk, wetenschappelijk  onderzoek en kennisoverdracht is een prachtige driehoek, stelt ze. Van Berckelaer-Onnes raadt het iedereen aan. Vooral ook omdat de drie pijlers elkaar aanvullen. Zo bestaat er bijvoorbeeld dankzij onderzoek steeds meer kennis over de aard van stoornissen. Van Berckelaer-Onnes is goed op de hoogte van onderzoek en speelt deze kennis graag door aan ondermeer het bestuur van Philadelphia. Door deze kennis te delen, kan er op de werkvloer beter worden omgegaan met de stoornissen en is ook preventief ingrijpen mogelijk. Er kan daardoor een beter antwoord worden gegeven op de hulpvraag en op die hulpvraag moet Philadelphia zich ook daadwerkelijk richten.

Relatie toezicht en bestuur

Als toezichthouder heeft Van Berckelaer-Onnes  weliswaar geen directe invloed op de zorgverlening, maar ze kan wel meedenken over de visie. Door de vergaderingen van de raad van toezicht te koppelen aan instellingsbezoeken houden de toezichthouders contact met de werkvloer. Dankzij die bezoeken komen er ook zaken op de agenda, zoals de separeerruimtes. Vanuit haar functie volgt ze de kwaliteit van zorg. Hiervoor is gepast vertrouwen in de raad van bestuur nodig, meent ze. De afstand tussen de raad van bestuur en de raad van toezicht is bij Philadelphia niet groot. Het bestuur is bijvoorbeeld ook altijd aanwezig bij de vergaderingen van de raad van toezicht. Van Berckelaer-Onnes spreekt van een gemoedelijke, collegiale sfeer.


Onlangs stelde Bram Troost, voormalig voorzitter van de raad van bestuur van Espria, in Skipr magazine dat meer toezicht slecht is voor ondernemerschap en duikgedrag bevordert. Van Berckelaer kan zich hierin vinden. Volgens haar staat toezicht houden niet gelijk aan het over de schouder meekijken. “De bestuurder mag de hete adem nooit voelen. Als toezichthouder moet je weten dat je geen bestuurder bent. Je moet geen ‘bovenmeester’ willen zijn, dan kun je namelijk ook niet functioneren als klankbord voor de raad van bestuur.”

0 Reacties

om een reactie achter te laten
Top