Artikel

Greet Prins: ‘Klantdenken zit in mijn genen’

Als een van de weinige topbestuurders in de care is Greet Prins niet afkomstig uit de zorgsector. Sinds een jaar laat ze bij Philadelphia Zorg een frisse wind waaien. ‘Als je veel vragen stelt, leer je snel.’

Door Willem Wansink. Uit: Skipr magazine 5, mei 2010.

Greet Prins-Modderaar (56) komt van buiten. Als spreekwoordelijke vreemde eend in de bijt is zij geen kind van de zorg. Gedurende 25 jaar werkte zij in de marketing- en reclamewereld, onder meer als bestuursvoorzitter van Saatchi & Saatchi. Zij weet wat concurrentie, doelmatigheid en een optimale service betekenen en hoe een zwakke organisatie wordt ‘gekanteld’. Als directeur vernieuwing bij uitkeringsinstantie UWV reorganiseerde zij de bedrijfsvoering en introduceerde ze klantgerichte dienstverlening: “Het klantdenken zit in mijn genen. Dat is er ingepompt in de communicatiesector.”

Sinds eind 2009 is Prins voorzitter van de raad van bestuur van Philadelphia. Een christelijk geïnspireerde zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking, met 8.000 cliënten en 8.200 personeelsleden verdeeld over 800 locaties. Ze maakt er schoon schip. Heeft zij wel voldoende ervaring en feeling om een zorginstelling te leiden die niet slechts financieel gezien langs de afgrond scheerde en weer op eigen benen moet staan nadat de organisatie uit de samenwerking met Espria stapte? Prins: “Het klopt dat ik geen ervaring ik de zorg heb. Maar ik kan meerwaarde leveren. Ik weet wat er nodig is om Philadelphia stevig op eigen benen te laten staan, zodat de medewerkers trots kunnen zijn op wat er gebeurt.”

Haar enthousiasme werkt aanstekelijk. Ze oogt zelfbewust, stevig en kordaat, al blijft er ruimte voor onuitgesproken tegenslag en twijfel. Werelds: ze lacht uitbundig. Een creatieve geest, gepassioneerd en vorsend. Empathie en verstand vormen bij haar een eenheid. Een doelgerichte bestuurder, dat ook, die duidelijke taal niet schuwt. Maar eerst moeten er inzicht en overzicht zijn. Luisteren, informeren, oordelen. Dan pas besluiten, leiding geven, handelen en desnoods personeel boventallig verklaren. Dat is bij haar de volgorde: “Als je veel vragen stelt, en mensen vertellen je wat ze weten, dan leer je snel.”

Glazen huis

Bij haar thuis draaide veel om de kerk: “Mijn vader was met hart en ziel predikant. Mijn moeder vulde mijn vader aan in zijn werk, onbetaald.” Haar moeder leeft nog. Ze is 83, gezond, zelfstandig, actief en ze rijdt auto: “Zij zorgde voor de basis.” Geen isolement. De buitenwereld kwam binnen, de deur stond voor iedereen open, zelfs voor een argwanende overbuurman. Haar vader was een vrolijke, opgeruimde en toegewijde man. Kaal, heel groot, stevige bril: “Een harde werker. Niet dogmatisch. Een voorbeeld. Hij had een heel groot geloof en hij geloofde er absoluut in dat hij tot zijn ambt geroepen was. We hebben ook veel met hem gelachen.”

Zij lazen vaak in de Bijbel, haar vader bad voor. Er werd gediscussieerd over het geloof en over de politiek: “Ik heb er leren argumenteren.” Ze leefden wel in een glazen huis, want binnen de kerkelijke gemeenschap heerste er een sterke sociale controle: “Als mijn broertje en ik ongeduldig in de kerkbanken zaten te rotzooien,  kreeg mijn vader dat de volgende dag op zijn brood: ‘Je moet beter op je kinderen letten.’Ze zagen altijd alles. ‘Let op wat de ander vindt.’ Dat kregen wij keer op keer te horen.”

Toen het gezin naar Waddinxveen verhuisde, werd haar moeder ‘heel bescheiden, op dorpsniveau’ actief in de gemeentepolitiek namens de Anti-Revolutionaire Partij die later opging in het CDA: Prins: “ Er waren ’s avonds bij ons thuis bijeenkomsten van de AR. Tot elf uur mocht ik daar niet bij zijn, dus ging ik eerst huiswerk maken. Maar als de borrel werd geschonken, kon ik aanschuiven.” Zelf werd ze lid en voorzitter van de plaatselijke Gereformeerde Jeugdvereniging, de GJV: “Ik durf wel. Ik neem snel het initiatief, ik doe dingen en kan makkelijk een onderbouwde mening geven.”

Innerlijk kompas

ARP’ers, zegt zij, vonden hard werken normaal en hun eigen mening relevant: “Daar stonden ze voor.” Geldt dat ook voor haar? “Ik houd van hard werken.” En ja, zij is nog steeds gelovig. Sterker: haar inspiratie, vertelt zij onomwonden, put ze uit een rotsvast vertrouwen in God: “Mijn geloof is mijn inspiratiebron, mijn drijfveer en mijn gids.” In de Bijbelteksten krijgt zij antwoord op de vraag hoe ze in het leven wil staan, hoe ze omgaat met situaties en met mensen, en waar ze op moet letten.

Ze heeft een sterk innerlijk kompas: “Het gaat niet elke dag goed maar mijn geloof zorgt ervoor dat ik steeds weer nieuwe energie krijg.” Haar geloof als gids betekent: “Wat kan ik wel en niet doen? Goed en kwaad. Respect voor mensen. Dat heb ik van mijn vader geleerd. Je moet je er elke dag van bewust zijn dat de wereld meer is dan het hier en nu. Dat je een taak hebt. Een opdracht.” Wat haar opdracht is? “Waarde toevoegen.” Hoe dan? “Mijn toegevoegde waarde is dat ik mijn kennis en mijn kunde optimaal inzet.”
Wat God voor haar betekent? Voor het eerst valt er een denkpauze: “God is zoveel tegelijk. De onzichtbare. Jezus Christus die samen met ons mensen leefde om deze wereld met ons te delen en aan het kruis voluit door de menselijke diepte is heengegaan. En juist zo ons mensen met het licht van de Opstanding heeft verbonden.” Jezus leert je te incasseren en terug te komen. De dialoog. Maar hij genoot wel van het leven. Hij dronk wijn. Ik ook. God heeft je de opdracht gegeven om van het leven te genieten. Hij zegt: ‘Heb je naaste lief als jezelf.’ Dat betekent geven en nemen. Je moet jezelf opladen om te zorgen dat je kunt geven.”

Haar eerste herinneringen? “Rotterdam. Met elkaar pinda’s pellen, op een krant voor de haard. ’s Nachts mee in de sneeuw om iemand naar huis te brengen. In de bus naar de stad met onze hulp, een meisje voor alledag, en haar verloofde. Met sinterklaas en kerst etalages kijken.” De wortels van haar familie liggen in het noorden. Het degelijke van de Groningers zit in haar, al beschouwt ze zichzelf eerder als Nederlandse. Haar grootvader van vaderskant was handelaar in koloniale waren, in de stad Groningen. Hij overleed in de Tweede Wereldoorlog, ze heeft hem niet gekend.

Haar opa van moederskant richtte de eerste busdienst in de provincie op. De Marne, van Zoutkamp naar Groningen. Prins: “Hij kwam uit een boerenfamilie met twaalf kinderen. Op de boerderij was er niet voor iedereen plek. Een paar broers emigreerden naar Amerika. Hij mocht niet van zijn ouders. Een van zijn broers schreef hem: ‘Er rijden hier allemaal bussen. Is dat niks voor jou?’ Zijn vader weigerde hem geld te lenen. Zijn aanstaande schoonvader deed dat wel, op voorwaarde dat zijn eigen zoon ook in de busonderneming kwam.”

Vrije wil

Zelf was zij nooit serieus ziek, ze klopt het af. Maar het verlies van anderen heeft littekens achtergelaten. Toen zij achttien was, overleed haar grootvader. Haar eigen vader stierf vijftien jaar geleden in een verpleeghuis, na een lange ziekte: “Dementie is een afschuwelijke, langzame manier van sterven. Je raakt iemand kwijt voordat hij sterft.” Ook de recentere dood van haar schoonouders heeft haar geraakt.

Het recente initiatief van bekende Nederlanders als Hedy d’Ancona (PvdA) en Frits Bolkestein (VVD) volgt ze belangstellend. Samen met anderen pleiten zij voor het zelfgekozen levenseinde van 70-plussers. Prins heeft er begrip voor dat mensen die heel ziek zijn, niet meer verder willen: “Ik keur het niet automatisch goed. Het is me een stap te ver maar ik begrijp het wel.”
In de discussie klinkt het laatmiddeleeuwse debat door tussen Erasmus van Rotterdam en de kerkhervormer Martin Luther over het verschil tussen de vrije wil en Gods genade. Prins: “Dat is waar. Maar er speelt nog iets anders: de verantwoordelijkheid voor jezelf en de ander. Je kunt er makkelijk over praten, maar wat doe je als het moment daar is?” Ze betwijfelt of haar vader had gewild dat zij voor hem had beslist wanneer zijn tijd gekomen was: “Hij vond het altijd het ergste als hij dement zou worden. Tijdens zijn ziekte heeft hij er maar twee keer tegen mij iets over gezegd. ‘Dit is zoals het is. Dit hoort bij het leven. Hier moet ik doorheen.’ Zo dacht hij.”

Piketpaaltjes

Dat er bij Philadelphia een positieve sfeer ontstaat, noemt zij ‘top’. “We hebben het weer over de dingen die ertoe doen. De kwaliteit van zorg. Wat is de juiste dienstverlening voor welk type patiënt? Hoe komen we tegemoet aan de wensen van hun ouders? Waar lopen we tegenop? De gesprekken in de participatieraad gaan niet meer alleen om geld maar over wilsbekwaamheid en wilsonbekwaamheid. Hoe staan we tegenover relaties en seksualiteit? We slaan piketpaaltjes en noemen de dingen bij hun naam. Pure winst.”

Wat ze wil bereiken? “Ledigheid is des duivels oorkussen. Zo kijk ik er tegenaan. In 2012 moeten onze cliënten tevreden zijn, zo gelukkig als dat kan, recht hebben op hun eigen leven met alle ups and downs. Lekker wonen in bijvoorbeeld hun eigen appartement, werken en dagbesteding kunnen benutten. Dagbesteding is voor onze cliënten gewoon werk. Laat ze maar moe thuis komen. En dan ’s avonds naar het koor met hun vrienden uit het tehuis.”

1 Reacties

om een reactie achter te laten

P

19 februari 2014

Hoe bestaat het?
Mevr. Greet Prins heeft een auto met chauffeur?
Hoeveel banen gaat Philadelphia nog schrappen en hoeveel moet Philadelphia nog reorganiseren voordat Greet zelf achter het stuur van een goedkope auto moet kruipen om op locaties te komen?

Top