Artikel

Jopie Nooren: 'Af en toe geen antwoord'

Wie in de gezondheidszorg werkt, moet aanvaarden dat hij af en toe geen antwoord heeft. Jopie Nooren: bestuurder van Lunet zorg in Eindhoven: ‘Ook ons personeel moet leren accepteren dat er grenzen zijn.’

Door: Willem Wansink. Uit: Skipr Magazine 04, mei  2009.

Jopie Nooren (47) weet wat het betekent om tegen de wind in te fietsen. Toch neemt ze het leven zoals het komt: “Soms zit het mee, soms zit het tegen.” Haar moeder lag lang ziek in een verpleeghuis. Zelf heeft zij aan beide handen een zenuwbeknelling, een carpaaltunnelsyndroom, waaraan ze zich niet wil laten opereren. Haar oudste dochter heeft een verhoogde hersendruk; de afgelopen jaren is zij een keer of acht geopereerd in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht.
Nooren: “De medewerkers van dat ziekenhuis doen hun best, maar ze kunnen nog geen blijvende oplossing bieden. Ze plaatsen steeds weer een drain. Die werkt even en dan weer niet. Ik heb van mijn eigen ervaringen in de zorg geleerd dat veel ongenoegen te maken heeft met communicatie. Het is geen gewoonte van het personeel bij een zorginstelling om te erkennen dat ze soms niet weten hoe het verder moet.”
Wie in de gezondheidszorg werkt, moet durven aanvaarden dat hij af en toe geen antwoord heeft, zegt Nooren, bestuurder van Lunet zorg in Eindhoven, een instelling voor gehandicapten met 2.100 cliënten, 2.000 medewerkers en 1.000 vrijwilligers. Ook haar eigen personeel mag niet meer beloven dan het kan waarmaken. “Juist nu we steeds vaker te maken krijgen met calculerende burgers.” Voor sommige personeelsleden is het moeilijk om nee te verkopen: “Ons personeel is heel betrokken en heeft veel over voor zijn werk. Maar iedereen moet leren accepteren dat er grenzen zijn.” 

Maatschappelijke betrokkenheid

Jopie Nooren komt van de boerderij. Haar vader had een gemengd bedrijf van 20 hectare met koeien en varkens. Melken mocht ze niet, maar het zomerse hooien vond ze heel plezierig. Van haar vader kreeg ze mee wat maatschappelijke betrokkenheid inhoudt: “Hij was de helft van de tijd bestuurlijk actief. Mijn vader zat onder meer in het kerkbestuur, het bestuur van de Boerenbond, het waterschap en het bestuur van het CDA in Breda. Thuis hadden we het vaak over politiek. Niet al mijn broers en zussen vonden dat interessant, maar ik wel. Ik ben nog steeds geboeid door politieke kwesties. Dat komt door hem.”
Zij groeide op in een ambitieuze, katholieke omgeving. Haar vader is van 1927, haar moeder van 1928: “Ze hadden allebei willen studeren, maar daar is het vlak na de Tweede Wereldoorlog niet van gekomen. Mijn moeder wilde verpleegkundige worden. In het toelatingsgesprek zei ze dat ze een vriendje had, dus mocht ze de opleiding niet doen. Mijn vader was de jongste van zeven kinderen. Hij moest de boerderij van mijn grootvader overnemen; hij wilde niet dat een van zijn kinderen later boer zou moeten worden.”
Haar jongere broer deed de Landbouwhogeschool in Wageningen. Hij wilde emigreren naar Canada, maar begon als een van de eersten in Nederland een geitenmelkerij en –fokkerij met een paar honderd dieren in Schijndel. Dat gebied was ongeschikt voor koeien. “Mijn ouders zijn na 75 jaar van West- naar Oost-Brabant verhuisd. Mijn vader werkt nu een tot twee dagen per week bij mijn broer op het bedrijf. Verbouwingen, melk scheppen en andere klusjes.”     
Ze zat op een katholieke kleuterschool waar alleen nonnen lesgaven en op een katholieke lagere school. Later ging ze naar een katholieke middelbare school. Twee van de zes docenten op de basisschool waren non: “Dat vond ik niet vervelend. Je had aardige en onaardige nonnen, zoals dat bij alle mensen het geval is.”
Als vijfjarig meisje, herinnert zij zich, moest ze op de fiets vlees naar de nonnen brengen; een kwartiertje rijden. De nonnen woonden naast de kerk. Ze kreeg aardappelschillen terug voor de varkens. “Ik vond dat heel vreemd. Dat zegt iets over die tijd.” Later zong ze in een kinderkoor: “Als kind ging je eerder alleen op pad. Je ouders fietsten misschien één keer mee naar school. Daarna reed je met je broers of zussen heen en met je vriendinnetjes terug.”
Tegenwoordig voeden ouders hun kinderen minder zelfstandig op: “Veel ouders staan bijna kritiekloos achter hun kinderen. Maar voor mij zijn er altijd twee kanten aan een verhaal. Dat zeg ik ook tegen mijn eigen kinderen. Gedrag roept gedrag op.”

Eigen daden

Haar gedachtengoed is sterk beïnvloed door de humane aspecten van het progressieve rooms-katholicisme zoals dat in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw in West-Brabant werd beleden: “Ik ga ervan uit dat we verantwoordelijk zijn voor onze eigen daden. Je moet het zelf doen. Elk individu is aan te spreken op zijn manier van handelen, juist binnen een groep. Daarnaast heb je natuurlijk de positieve kant van het katholicisme: feesten, samen iets van het leven maken. Zorgzaamheid, dat hoort er ook bij.”
Nooren maakt verschil tussen geloof en de kerk als instituut: “Ik ben erop afgeknapt dat de regel in de katholieke kerk belangrijker is dan het doel. De bedoeling van het geloof is goed. Het gaat om universele waarden als naastenliefde. Daarvoor hoef je niet gelovig te zijn. Geloven is echt gelóven. Je kunt het niet bewijzen. Mijn opvatting is dat je het in dit leven moet doen, niet in het hiernamaals.”
Geloof is voor haar geen looprek voor mensen die wankel in het leven staan: “Ik kende mensen die heel gelovig waren en daar veel kracht uit putten. Voor hen was dat zingeving. Daar gaat het om. Eigenlijk mis je iets als je dat besef niet hebt.”
Als agnost kan zij respect opbrengen voor de warmte en de geborgenheid van een geloof. Daarom is het humanisme niet aan haar besteed: “Als je doordenkt, is het humanisme erg individualistisch. In deze levensbeschouwing staat het ‘ik’ heel centraal. Dat bevalt mij als groepsmens minder.”
‘Wie goed doet, goed ontmoet’, is een leus die haar meer aanspreekt. Een christelijke gedachte, maar daarachter schuilt een brede filosofische wereldbeschouwing.
Ze knikt instemmend en de knopen van haar jasje rinkelen ritmisch mee op tafel: “Immanuel Kant, de Duitse filosoof die eind zeventiende eeuw leefde, verhief het tot een principe dat je een ander niet aandoet wat je niet wilt dat jou wordt aangedaan.”

Terughoudend

Nooren is lid van de PvdA, maar ze manifesteert zich terughoudend binnen de werkgroep Patiënt Centraal en het Vrouwennetwerk. Dat komt door haar vorige baan, als directeur van branchevereniging VGN: “Daar onderhield ik met alle partijen goede contacten.” Lokaal is ze wel politiek actief. In de gemeente Montfoort, waar zij met haar gezin woont, werken alle progressieve partijen samen; ze is er bestuurslid van het Progressief Akkoord.
Leidinggeven betekent voor haar ‘enthousiast richting geven’. Ze wil haar medewerkers motiveren: “Het mooiste is als iemand aangeeft dat hij gestimuleerd wordt om het beste van zichzelf boven te halen en als je merkt dat we allemaal dezelfde kant op willen.” Sturend leiderschap? “We moeten het met elkaar doen. Wat heeft de ander nodig om zijn werk beter te doen? Dat is een belangrijke drijfveer.”
Nooren: “Als een leidinggevende in het management van onze organisatie bijvoorbeeld een financiële overschrijding constateert, ga ik ervan uit dat hij of zij zo snel mogelijk zelf aan de bel trekt en zonodig om ondersteuning vraagt. Dat is de individuele verantwoordelijkheid. Pas als iemand niet zelf het heft in handen neemt, hoort de directie in te grijpen.”
Ze weet wanneer ze optimaal functioneert: “Je moet inhoudelijk sterk in je schoenen staan”. Ze wil ook altijd in de praktijk kijken wat er gebeurt. Daar vindt zij haar voorbeelden: “Als ik zie wat er op de werkvloer speelt en weet wat iets in de praktijk voor het personeel betekent, dan kan ik betere beslissingen nemen.”  
Nooren is voor permanente kwaliteitsverbetering van de gezondheidszorg. Daarvoor zijn prikkels nodig, goede voorbeelden en een vorm van prestatiedenken: “Als we willen dat de zorg blijft innoveren, moet er zo nodig fors worden geïnvesteerd. Wordt er niet geïnvesteerd, dan ontwikkelt een organisatie zich niet verder. Bij innovatie hoort per definitie dat iets kan mislukken of in de praktijk niet werkt. Dat moet je accepteren.”

Eeuwig probleem

Geld is het eeuwige probleem in alle discussies over de zorg. Een aantal innovaties leidt op termijn onherroepelijk tot hogere kosten. Neem de crisisbedden in de gehandicaptenzorg: “Voor deze cliënten met een complexe zorgvraag moet specialistische zorg en ondersteuning beschikbaar zijn. Het geld dat we hiervoor krijgen, dekt de kosten niet. Moeten we die bedden dan maar opheffen? Wij doen dat niet.”
Nooren: “We willen een gevarieerd woningaanbod. Beschermde woonparken voor hen die daar altijd hebben gewoond en voor mensen die moeilijk in de maatschappij kunnen wonen, bijvoorbeeld vanwege ernstige gedragsproblemen. Maar als het even kan, kiezen we voor wonen midden in de wijk. Dan houd je de bestaande sociale systemen in stand.”
Of deze aanpak kostbaar is? “Niet als je enige schaal in de kleinschaligheid doet. Wij zijn voor gekoppelde groepen van bijvoorbeeld vier keer zes personen. Zes mensen per huis met daarnaast een ander huis, zodat de begeleiders elkaars achtervang kunnen zijn. Er wordt een wijksteunpunt voor ons ingericht. Daaruit kan zorg aan huis worden verleend. Soms zijn er dagactiviteiten. Zo ondersteunen we in totaal zo’n vijftig mensen vanuit één locatie.”
De ouderenzorg kan hiervan leren niet alles in één centrum te lokaliseren: “Ook voor de ouderenzorg zou ons kleinschalige model werkbaar kunnen zijn. Op sommige plekken werken we al met hen samen. We doen dat om de zorg in een wijk te garanderen én om deze betaalbaar te houden.”

0 Reacties

om een reactie achter te laten
Top