Artikel

Cathy van Beek: 'Hard op de zaak, zacht op de mensen'

Ze maakte zich los van haar calvinistische achtergrond, maar Cathy van Beek snijdt haar wortels niet door. ‘ Geloof, hoop en liefde blijven belangrijke drijfveren.’

Door Willem Wansink. Uit Skipr Magazine 11, november 2009

“Vlak na het overlijden van mijn moeder, bezocht ik mijn vader. Ik vroeg hem: ‘Pap, hoe ga je het nou doen zonder mama?’ Want zij waren bijna zestig jaar samen.” Met zachte stem: “Toen zei hij: ‘Ja kind, werken.’ Zo is hij altijd geweest.”
“Mijn vader is een echte calvinist. Almaar werken. Hij was leraar op de technische school aan de Gordelweg in Rotterdam. Hij gaf les aan de avondschool en schreef boeken. Hij was dé intellectueel van de zwartekousenkerk; Rotterdam kent een harde kern van die kerk.”
Sinds het vertrek van Frank de Grave is Cathy van Beek (53) interim-voorzitter van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).Ze groeide op in een streng calvinistisch gezin dat tot de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika behoort, de achterban van de SGP. Op haar 25e jaar maakte ze zich los van de kerk. Nu is ze lid van D66.
 “Mijn moeder liep altijd helemaal in het zwart. Zij was een ‘bekeerde’ vrouw. Ze hoorde tot de gepredestineerde uitverkorenen. Ze was zeer serieus. Het moet jouw strijd blijven, want pas op het einde blijkt of je werkelijk naar de hemel mag. Dat bepaalt God op zijn rechtersstoel.”
“Drie zusjes hebben haar afgelegd. We hebben alle drie in de verpleging gezeten. Dat hoorde bij die kerk, als meisje mocht je ter ere Gods niets anders doen. Ik wilde eigenlijk Nederlands studeren, maar de zorg paste als een handschoen bij mij; ik verpleegde thuis altijd de zieken.”
“Vroeger droegen we kleren met mouwen tot aan de pols en de knoopjes dicht tot aan de hals. We hadden dikke kousen aan. Wij mochten ons haar niet los dragen, want dat was hoerig. Als kind stond ik te stampvoeten. Ik wilde er leuk uitzien. Dat kon niet in die kerk. Wel met hoedjes op. Als zevenjarige had ik een enorme hoed, waarmee ik zo de kerk in liep. Op de begrafenis van mijn moeder droeg ik een prachtige passende hoed. Toen was de cirkel rond.”

Strenge leer

 “Ik was de lieveling van mijn vader. Ik liep voortdurend achter hem aan. Ik ben nog steeds gek op hem. Ik heb een houten plankje dat op school voor hem is gemaakt. Op dit plankje keek hij de lessen na. Ik heb het op schoot als ik geconcentreerd wil werken. Ik stond vaak naast hem als hij een les nakeek. Ik mocht er zijn stempel op zetten. Dan hoopte ik dat iemand een tien kreeg. Maar hij zei: ‘Nee, daar en daar is het niet goed.’ Hij legde de lat hoog.”
Wat hield hun geloof in? “Het is een bijzonder strenge leer. De sfeer is te vergelijken met Knielen op een bed violen van Jan Siebelink, maar dan een graadje erger. Knielen op een bed vol distels. In het isolement ligt onze kracht, dat was de formule. Afschermen, iedereen klein houden. Altijd naar jezelf en de leer, de enige waarheid, toe redeneren.”
Na een lange rationele worsteling heeft zij zich gedistantieerd van de gemeenschap uit haar jeugd: “Ik stapte op, nadat een bekende dominee tijdens een doopplechtigheid met tien doopouders zei dat kleine ratten ook ratten zijn. Hij doelde op de kinderen die gedoopt werden. ‘Denk niet dat zij in de hemel komen. Als ze niet uitverkoren zijn, dan gaan ze naar de hel.’ Toen was het over.”
Haar gevoel zei dat de dominee fout zat: “Ik kon het niet geloven. Wat een sinister geloof met die predestinatie en erfzonde. Elke dag wordt er drie keer uit de Bijbel voorgelezen. Als kind krijg je te horen dat je niets voorstelt. Die angst raak je nooit helemaal kwijt, ook niet als je van de kerk afgaat.”
“Op mijn vijftigste was ik op de helft. De helft met zwarte kousen en de helft met lichte kousen,” zegt ze met een brede lach. “Ik ben er niet sentimenteel over. Ik ben erg gelukkig. Mijn jongere zus heeft dertien kinderen. Zij worden net zo opgevoed als ik destijds. Met dezelfde angst. Niet verzekerd, niet ingeënt. Geen euthanasie. Geen abortus. Niets.”
“Maar ik snijd mijn wortels niet door, anders ga ik dood. Ik geloof nog altijd in de diepere waarden die ik van huis uit heb meegekregen. De kernwaarden van het calvinisme. Ik luister er ook met respect naar als anderen geloven.”
Ze komt uit een gezin met zestien kinderen en was de zesde van boven: “In een groot gezin moet je met heel verschillende types kunnen opschieten. Je moet voor jezelf leren opkomen, anders sneeuw je onder. Als je aandacht wilt hebben van je ouders, moet je je onderscheiden en concurreren. Concurreren is me dus met de paplepel ingegoten. Delen ook, net als leiding krijgen en leiding nemen. Ik ben zowel gewend te delen als leiding te nemen.”

“Leren was vanzelfsprekend. Mijn vader heeft na de oorlog de avond-hts gedaan. Hij werkte op een Verolmewerf, net als zijn vader. Op de hts had hij allemaal tienen. Ook wij konden goed leren. Maar de rapporten werden wel naast elkaar gelegd om te zien wie de beste was. De avondschool zat in onze genen. Altijd studeren. Ik ben nu met Engels bezig.”
“Ik leef niet als ik niets leer. Ik was een redelijke jobhopper tot ik bij de Sint Maartenskliniek kwam. Ik zeg altijd: als ik uitgekeken raak, ben ik weg. Dan kan ik niets meer toevoegen. En raak ik verveeld.”

Vlechten met strikken

“Kun je je voorstellen wat voor een type ik was toen ik in de verpleging begon? Ik deed hier niet aan mee, daar niet aan mee. Ik begon in Middelburg en vervolgde mijn opleiding in Wageningen. Ik had vlechten met strikken erin. Die moesten eruit, want dat was niet hygiënisch.”
“ Volgens het dienstrooster mocht ik pas om half twee beginnen, zei de hoofdzuster als ik de ochtend weer eens had doorgebracht op de operatiekamer om er te leren van de artsen. En ik, met het zweet in mijn handen: ‘Sorry, daar gaat u niet over. Dat is mijn zaak.’ Uit de zwartekousenkerk heb ik ook iets onafhankelijks meegekregen. Ze kon me willen tegenhouden, maar ik wilde op de operatiekamer de patiënten zien die ik ’s middags moest verplegen. Dat rebelse, dat Gideonachtige, zit er van huis uit in.”
Toen ze uit de kerk stapte, raakte ze in één klap haar sociale netwerk kwijt: “Mijn vader en moeder hadden een vaste kern om zich heen. Daar hoorde ik niet meer bij. Ook niet bij de tweede cirkel, die op wieltjes: hervormd, gewoon gereformeerd. En dan de buitenste cirkel: van God los, het hellend vlak, op weg naar het verderf. Daar zat ik.”
Toch is er continuïteit: “Geloof, hoop en liefde zijn belangrijke drijfveren voor mij. Ik ben een optimistisch mens. Ik geloof in de vooruitgang. De technologie helpt ons de wereld te redden. Ik steun de technologische innovatie waardoor we de zorg betaalbaar houden. En waar blijven we zonder hoop? Je moet perspectief schetsen voor mensen, ook in organisaties. Visie, waar gaan we heen? En dan de liefde. Dat betekent zorgzaamheid, je bekommeren om een ander. Klinkt misschien soft, maar ik meen het.”

Tegennatuurlijk

Van Beek stelt hoge eisen aan zichzelf en anderen: “Ik ben prestatiegericht: hard werken, resultaat behalen. Daarnaast is er de menselijke kant. Inderdaad, ik ben hard op de zaak en zacht op de mensen.” Eurocommissaris Neelie Kroes is een voorbeeld: “Zij blijft zichzelf. Ze houdt vast aan haar boodschap. Ze is authentiek en consistent. Ik vind haar een mooi mens. Zo wil ik wel oud worden.”
“Thuis discussieerden wij op het scherpst van de snede. Ik heb leren luisteren en het conflict leren formuleren als dat nodig was. Als meisje had ik een krantenwijk. Dat was mijn blik op de wereld. Ik vond het heerlijk, maar het moest ook. Mijn vader had een redelijk salaris, maar hij nam geen kinderbijslag aan en we waren niet verzekerd. Als mijn moeder met een zwangerschap in het ziekenhuis kwam of een van de kinderen iets overkwam, moesten wij dat zelf betalen.”
“Op driejarige leeftijd ben ik in totaal drie maanden in het ziekenhuis geweest, onder meer met difterie. Alleen, geen broertjes, geen zusjes. Ook mijn ouders kwamen weinig op bezoek. Dat was een donkere periode. Op het eind van de dag ging ik psalmen zingen. Er werd daar niet anders gezongen. ‘Opent uwe mond. Eist van mij vrijmoedig.’ Ik ken het nog.”
De roerige jaren zestig en zeventig gingen grotendeels aan haar voorbij: “De maanlanding: pas dit jaar heb ik ademloos gekeken naar de tv. De mensen waar ik in 1969 in Werkendam logeerde, zaten op hun knieën. Ze waren bang dat de wereld zou vergaan als de eerste mens voet op de maan zou zetten. Dat was tegennatuurlijk. Dat mocht absoluut niet.”

Weinig applaus

“Gelukkig ben ik niet gauw bang. Dat heb ik ook in mijn werk. Toen de IJsselmeerziekenhuizen flink in de problemen zaten, namen wij een standpunt in dat weinig applaus opleverde. Maar als ik ervan overtuigd ben dat een bepaald advies klopt, dan geven we dat af. De NZa wil helpen waar ze kan, want wij redeneren vanuit het belang van de zorgconsument.”
“Wij vinden dat het gelijk van de consument hoort te winnen. Neem onze beleidsvisie op de dagbesteding van verstandelijke gehandicapten. Daar zaten veel grote instellingen niet op te wachten. Er was immers sprake van gedwongen winkelnering. De cliënt of de ouders moesten hemel en aarde bewegen om ergens anders dagbesteding te krijgen die meer op het talent van de cliënt was toegesneden. Wij hebben doorgezet.”
“We bevinden ons in het zenuwcentrum van de zorg. Uiteraard houdt de Inspectie voor de Gezondheidszorg toezicht op de kwaliteit van de zorg. Maar wij houden toezicht op de marktordening in de zorg. Handelt een actor in het belang van de zorgconsument? Hoe transparant is de instelling? De onderhandelingstaal die daarbij wordt gebuikt, is essentieel. Wij schrijven die taal. Anders krijg je een nieuw Babylon. Als mensen geen taal hebben, is er geen communicatie, maar chaos.”
Soms ervaart zij de NZa als rechter: “Wij hebben de bevoegdheid om uitspraken te doen die in de rechterlijke sfeer liggen. Als aanbieders of zorgverzekeraars bezwaar maken tegen een besluit van ons, moeten wij een beslissing op bezwaar nemen.”
“Wij krijgen weleens te horen: waar bemoeit de NZa zich mee? Als het op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg nodig is, moeten we ons er wel mee bemoeien. Daar zijn we voor. Je kunt niet verwachten dat er met meer graden van vrijheid minder verantwoording hoeft te worden afgelegd. Het gaat om overheidsgeld, geld van ons allemaal. Elke euro die er in de zorg omgaat, moet meerwaarde opleveren voor de zorgconsument. En nauwgezet worden verantwoord.”

0 Reacties

om een reactie achter te laten
Top