Artikel

Jos Poelmann: 'We laten niemand bungelen'

Jos Poelmann komt op voor tbs’ers: ontspoorde mensen die ter beschikking zijn gesteld: "In onze poliklinieken zijn het praatje en het pilletje belangrijk om recidives te voorkomen.”

Door Willem Wansink. Uit: Skipr Magazine 6, juni 2010

Keer op keer springt Jos Poelmann (61) in de bres voor tbs’ers die met verlof in de maatschappij terugkeren. Want Poelmann kent de feiten. Wie ter beschikking is gesteld hoeft tijdens een verlof of na een behandeling niet per se opnieuw in de fout te gaan: “De kans dat een zware delinquent na behandeling in een tbs-kliniek in herhaling valt, is 18 procent. De kans dat een gedetineerde zonder behandeling na een gevangenisstraf recidiveert, is ongeveer 70 procent.”
“Tbs is een maatregel, geen straf. De straf is de vergelding. Dat gebeurt in de gevangenis. De maatregel vindt plaats in de zorg. Wij vinden dat we niemand mogen laten bungelen. Behalve een handjevol levenslang gestraften komt iedereen terug in de maatschappij. Doe je daar niets aan, dan kun je er de klok op gelijk zetten dat de meesten opnieuw in de fout gaan.”
Poelmann is bestuursvoorzitter van de Pompestichting in Nijmegen. Daar worden gedetineerden met tbs behandeld en begeleid. Recent verlaagde de instelling het aantal bedden van 350 naar 300. Poelmann: “Kennelijk worden er minder vaak ernstige misdrijven gepleegd. En rechters leggen minder vaak tbs op. Ze vinden dat zo’n behandeling tegenwoordig te lang duurt.” Bovendien raden advocaten hun cliënten sinds kort aan zich niet psychologisch te laten testen, zodat ze geen tbs opgelegd krijgen.

Geziene gast

Hij is een geziene gast in de media. Maar hij oogst ook hoon, bijvoorbeeld van De Telegraaf die hem als soft wegzet: “De publieke opinie over tbs’ers is omgeslagen. De maatschappij verlangt meer veiligheid, ten nadele van de gedetineerden. Minder verlof en een langere behandelduur omdat dat minder risicovol zou zijn. In plaats van vier of vijf jaar duurt de tbs inmiddels acht, negen of twaalf jaar. Dat kost veel geld. Daardoor loopt het systeem vast.”
Het tij moet keren, stelt Poelmann, en daarin ziet hij een uitdaging. De hedendaagse gedragstherapieën helpen vooral zedendelinquenten, personen met een ernstige seksuele afwijking, goed: “Veel mensen zijn te redigeren, soms met pillen, soms ambulant. In onze poliklinieken zijn het praatje en het pilletje belangrijke ingrediënten om recidives te voorkomen.” De behandeling in de kliniek is hoog specialistisch en complex: “Het gaat om mensen met een handicap. De middelen die wij aanbieden, zijn een soort protheses, ook in de zin van protectie. Je geeft ze instrumenten mee, opdat zij zich beter kunnen handhaven in de samenleving zonder weer een delict te plegen.”
Hij geeft een voorbeeld. Wie een zedendelict pleegt, doet dat volgens een vast patroon: “Het begint met veel alcohol drinken, porno lezen, enzovoorts. Er zit altijd een trappetje in. Mensen kunnen leren hoe dat trappetje eruit ziet en de onderste trede meteen tot alarmfase benoemen. Wij zeggen ze: ‘Zodra je aan de eerste trede begint, bel je onmiddellijk onze polikliniek. Wij helpen je dat je niet op trede twee en vier komt’. Dat werkt.”

Oorlogskind

Jos Poelmann kwam vlak na de Tweede Wereldoorlog in Haarlem ter wereld. Maar zijn oorsprong ligt in Indonesië, het vroegere Nederlands-Indië. Zijn moeder was hoogzwanger toen ze naar Nederland terugkeerde en van haar nakomertje beviel: “Ik was een oorlogskind. Ons gezin kwam beschadigd uit de oorlog. Mijn ouders hebben daar erg onder geleden. Ik moest het bindende en gezonde element vormen. Het cement.”
 “Ik ben een echte totok: een blanke. We woonden in Heemstede maar mijn jeugd was doordesemd met de verhalen van vroeger. Mijn ouders, broer en zus hadden het steeds over Indië, het paradijs op aarde. Ze hadden veel Indische vrienden, ook Indo’s. Die heetten in goed Indische traditie allemaal oom en tante.” Zelf werd hij gekoesterd, als benjamin: “Dat heeft twee kanten. Het is leuk, zoveel aandacht. Maar het is ook een last. Want er zijn hoge verwachtingen. Er ligt een behoorlijke druk op je. Je moet de idealen en verwachtingen beantwoorden. Je moet het goed doen op school, succes hebben in je leven, een goede carrière hebben, studeren. De ideale zoon. En dat met de doem van de verloren kinderen. De pijn en het verdriet van mijn ouders.”
Beide ouders kwamen uit Holland, zo noemt hij Nederland. Zijn moeder was op vierjarige leeftijd verhuisd. Zijn vader emigreerde vanuit Europa via Amerika naar ‘de Oost’. Ze ontmoetten elkaar in 1924 op Sumatra, in Medan, waar ze trouwden: “Ze hadden er een goed leven.” Maar in 1941 werd het gezin door de Japanse bezetters geïnterneerd en van elkaar gescheiden: “Vader in het ene kamp, moeder in het andere.” Niet iedereen doorstond het kamp: “Uiteindelijk bleven wij met zijn drieën over. Mijn oudere broer en ik schelen twintig jaar, mijn zus en ik negentien jaar. Zij hadden allebei al een heel kampleven achter de rug.”
In Medan leidde zijn vader een eigen handelsonderneming, samen met een compagnon. Ze handelden in tropische producten. Rubber, tabak, aandelen in ondernemingen. Hij had een aandelenkantoor met een filiaal in Amsterdam. Toen hij terugkwam, was hij zijn hele vermogen kwijt. Zijn bedrijf was genationaliseerd door de Indonesiërs. Hij moest zijn compagnon ontslaan om in Amsterdam het kantoor voort te zetten. Daar werkte hij tot zijn dood, op 79-jarige leeftijd: “Hij vond er niets aan om te stoppen.”
Poelmanns grootvader stamt uit het Noordduitse Papenburg, “Ost-Friesland.” Hij was aannemer. Eind negentiende eeuw verhuisde hij naar Nederland. Hij werd
projectontwikkelaar avant la lettre. Welvarend: in Amsterdam liet hij hele buurten bouwen, hij exploiteerde talloze huizen. Zelf woonde hij aan de Herengracht en later in Hilversum: “Een prachtige oude villa. Ik heb nog foto’s van dat huis. Die hangen bij ons in de gang aan de muur.”

Hardvochtig

De Poelmanns waren strenggelovige Rooms-katholieken. Zijn vader werd in 1900 vanuit Amsterdam naar Rolduc gestuurd, een internaat voor rijke kinderen in Kerkrade: “Heel hardvochtig.” Grootvader van moederskant kwam uit een ‘oude’ familie. Ook hij zat in de handel, en was well to do. Zijn familie handelde in Zutphen en allerlei Hanzesteden in tabak en tropische producten. Deze grootvader, al jong doof geworden, begon een fabriek voor gehoorapparaten: Akousticon. Later had hij winkels in het hele land.
Poelmanns moeder was minder dwingend, lichtvoetig katholiek: “Zij was van de gemakkelijke kant.” Ze kwam uit een agnostisch gezin maar bij haar trouwen moest ze katholiek worden: “Ik heb het aan haar te danken dat ik niet zwaar gelovig ben opgevoed.” Of hij zelf nog in god gelooft? “Ik ben religieus maar niet kerkelijk. Ik hang geen kerk aan.” Hij heeft wel affiniteit met spirituele waarden. Wat dat betekent? “Er is meer dan het leven op aarde. Wij mensen zijn onderdeel van een schakel. Het leven begint niet bij de geboorte en houdt niet op bij de dood. We hebben een of andere verbinding met elkaar door een universeel ‘iets’.”
Concreet? “We zijn op aarde om te evolueren. Om beter te worden. Ik doe dit werk omdat ik het leven meer waarde wil geven. Toegevoegde waarde. Het heeft te maken met idealisme: zorgen dat deze wereld beter wordt. Dat is een taak. Noem het een humanistische visie. Die heb je zonder je op de Bijbel te hoeven beroepen. Katholieken lazen de Bijbel niet. Ze bekeken alleen de plaatjes.”
Zijn eerste leidinggevende ervaring had hij op het altaar, als acoliet, een leek die de priester tijdens de Mis helpt: “Ik ben ceremoniemeester geweest, de hoogste taak van de acolieten. Je moest alle rituelen kennen en daar leiding aan geven: weten wanneer je moest buigen, wanneer de preek kwam, je moest de priester uitnodigen naar de preekstoel te gaan, het wierookvat laten halen, het wijwatervat, het boek van de ene naar de andere kant doen dragen.” Later, na de dood van zijn vader, volgde de kentering en de distantie tot de moederkerk.

Idealisme

Hoe hij in de zorgsector terechtgekomen is? “Uit idealisme. Roeping. Ik wilde een baan hebben waarbij ik goed kon doen. Ik heb een overtrokken gevoel voor rechtvaardigheid. Ik kan snel verontwaardigd zijn als ik situaties tegenkom die ik niet rechtvaardig vind. Dan ga ik op de bres. Beroepsmatig betekent dat vooral strijd met het gezag.”
De Pompestichting valt onder Pro Persona, een organisatie die snel is gegroeid. Jos Poelmann: “Mij drijft de professionalisering van het vak. Groot kan ook heel goed zijn. Ik durf te beweren dat grootschaligheid goed is voor onze cliënten. Want dan kun je efficiënter werken. Een kleine organisatie kan een aantal ambities niet waarmaken, zeker niet in de geestelijke gezondheidszorg. Ambities moeten worden gefinancierd uit de bulk. Wij doen een heleboel verrichtingen voor heel veel mensen. Dat gebeurt gestandaardiseerd en geprotocolleerd. Hoe groter de productie, hoe meer er overblijft voor onderzoek en opleiding. Alleen dan kun je nieuwe serviceconcepten ontwikkelen.”
 “In grote organisaties ontstaat er ruimte om de behandelingen te verbeteren. Er kan efficiënter worden gewerkt. En er wordt meerwaarde geschapen. Wij bieden bijzondere specialismen aan. Die zijn duur. Dat kunnen we alleen doen omdat tachtig procent van onze cliënten efficiënt kan worden geholpen. Daardoor ontstaat er de rek om ook intensief aandacht te besteden aan de twintig procent bijzonder moeilijke, complexe zorg.”

0 Reacties

om een reactie achter te laten
Top