Artikel

Maarten Rook: ‘De rommel van Klink opruimen’

Meer dan hem lief is, moet hij in Den Haag aan de bel trekken. Maarten Rook ziet zijn werk steeds politieker worden. ‘Je wordt afhankelijk van dat ene Kamerlid dat gevoelig is voor je argumenten.’ Door Willem Wansink. Uit: Skipr magazine 7/8, juli 2010.

Hoe hij met dwarse dokters omgaat? Maarten Rook (60), bestuursvoorzitter van het St. Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein en Utrecht: “Dwarse dokters zijn nooit de slechtste. Ik praat met ze. Ik probeer er samen voor te zorgen dat zij zich toch happy voelen.”

“Je moet wel steeds op je qui vive zijn. Dat komt door het spel er omheen. De buitenwereld brengt een hoop ellende binnen. Als een hartchirurg merkt dat een oogarts, een patholoog of een anesthesioloog meer verdient, wordt hij narrig. Het vereist tact om daarin de juiste balans te vinden.”

Rook noemt zich een coachend leider; zelf treedt hij niet graag op de voorgrond: “Ik heb 35 jaar ervaring met wetenschappers en medisch specialisten. Ik heb er lol in om ze goed te laten functioneren.” Wat zijn kracht is? “Ik kan beleid en uitvoering bij elkaar brengen.” Flexibel, geen alom aanwezig ego: “Ik ben niet directief maar ik weet waar ik heen wil, desnoods met een omweg. Als er een boompje staat of mensen niet meteen mee willen doen, kan ik ook kronkelig op het doel af gaan.”
Soms doet hij er namens het ziekenhuis ‘iets’ bij: “Als een specialist een lager inkomen heeft omdat hij extra kosten moet maken, nemen wij uit ons eigen budget wat kosten over. We willen dat ook die ene dokter goed meedoet. We zien ons ziekenhuis als één geheel, ook al hebben de specialisten hun eigen honorarium.”

Verkeerde berekening

Opeens staat hij op scherp. Onveranderd vriendelijk hekelt hij toenemende greep van de politiek op de zorg; steeds vaker moet hij namens het ziekenhuis lobbyen in Den Haag en Utrecht: “Al vijf jaar lang weten we niet hoe het verder gaat met het kapitaallastendossier. Ik moet constant aan de bel trekken bij Kamerleden, hoge ambtenaren of de minister, vooral voor het bouwdossier en de dure verrichtingen.”
“Dit leidt tot cliëntelisme: je wordt afhankelijk van dat ene Kamerlid dat gevoelig is voor je argumenten. Eerst hebben we de lumpsum bij het honorarium. Dan maken we er talloze dbc’s van. Dat loopt uit de hand door een verkeerde berekening, waarna de minister teruggrijpt naar een vorm van budgettering. Waar zijn we toch mee bezig? Intussen kunnen wij als ziekenhuisdirecteuren de rommel van Klink opruimen.”

Scharrelruimte

Hoe hij zelf met mensen omgaat? “Mijn deur staat altijd open.” En verder? “Je moet je medewerkers kennen én ze de ruimte geven.” Scharrelruimte, noemt de Tilburgse hoogleraar Jan Moen dit: “Wil vooral niet alles voor iedereen tot achter de komma regelen.”
Zijn voorbeeld als coach? “Guus Hiddink. Hij is in staat om een bestaande groep elke keer tot betere prestaties aan te sporen.” Hoe? “Door snaren te raken. Die jongens kunnen allemaal voetballen, dat is niet het punt. Het gaat om het samenspel. Ook in een ziekenhuis moet je je altijd afvragen wat het doel is. Hoe bereik je dat met elkaar? Wat heb je voor elkaar over om je doel te halen? Dat drijft mij. Deskundigheid telt, maar psychologie is alles. Hoe krijg je de mensen mee? Door respect te tonen. Dat heb ik aan mijn jeugd overgehouden.”
Thuis betekent voor hem in eerste instantie Krimpen aan den IJssel, in de vroege jaren vijftig van de vorige eeuw nog een dorp met pontjes en geen brug. Het rivierengebied; de wereld van de scheepswerven. Het halve dorp werkte bij Van der Giessen. Zijn vader trok zes dagen per week naar de overkant, als bankwerker bij Vuyk. Hij werkte hard en klom op tot bankwerker-baas bij Boele. Op zijn dertiende was hij als ‘nagelheter' begonnen: “De sterke mannen sloegen enorme nagels in de schepen. Die nagels moesten worden opgewarmd. Dat was het werk van de jochies die net van school kwamen.”

Asbakken

De vakbond speelde een grote rol: “Mijn vader vocht voor de 'goede zaak’.  Hij was heel betrokken. We hadden altijd asbakken van de NVV in huis, het Nederlands Verbond van Vakverenigingen, een voorganger van de FNV. En bij ons werd driftig PvdA gestemd.” Zijn beide grootvaders werkten eveneens in de scheepsbouw. Die van vaderszijde overleed jong. De andere grootvader, van moederskant, liep in de jaren dertig nog met de rode vlag van de communistische partij. Hij was scheepstimmerman. Hij werd getroffen door de watersnoodramp en kwam tijdelijk bij zijn dochter inwonen. Rooks ouders hadden geen ruime woning, wel een groot gezin met negen kinderen. Zelf was hij de tweede. Een jongere broer en zus, beide direct onder hem, zijn overleden. De broer stierf op zijn 43e aan een hartstilstand in de sportschool, zijn zus op haar 46e aan kanker.
 Als de dag van gisteren herinnert Rook zich de Hongaarse opstand van 1956: “Mijn ouders zaten met hun oren tegen de radio aangedrukt. Angst. Het commentaar van G.B.J. Hiltermann om 1 uur op zondag. En altijd die associatie met bloemkool en spruitjes.”
Wie er een grotere invloed heeft gehad, zijn vader of zijn moeder? “Mijn vader was geen gewone arbeider. Hij wilde altijd als eerste een mooie brommer hebben. Een Kapteijn Mobylette. Hij had ook zo’n lange leren jas. Hij wilde zichzelf tonen. Ik heb dat van hem meegekregen: de wil om uit te blinken, je best te doen. Anders te zijn dan het gemiddelde.”
Vader was hard voor zichzelf en zijn omgeving maar ook een voorloper. Als een van de eersten in de straat kocht hij een televisie, vanwege het wereldkampioenschap voetbal in 1958: “Telkens kwamen er twintig mensen kijken.” Brazilië won, in Zweden, met spelers als Pele, Didi, Vava en Garrincha: “Dan gingen we naar buiten en speelden we dat we Pele waren. Ik was Garrincha. Rechtsbuiten. Hij had slechte knieën.”
Maarten Rook kon goed leren. Op de lagere school gaven enkele leraren hem en een paar anderen na schooltijd bijles. Zo werd hij voorbereid op de HBS, de voorloper van het Atheneum. Krimpen had geen HBS, die bevond zich in de grote stad, in Kralingen, een wijk van Rotterdam. Twaalf kilometer fietsen over de Algerabrug die net klaar was. Soms nam hij een maandkaart voor de bus, “Zeker in 1963, want die winter was bar koud, toen was ik dertien.”

Citroenjenever

Of hij nog gelovig is? Zijn vader was geen kerkganger maar zijn moeder “ging behoorlijk naar de kerk.” Nederlands hervormd: “Zij was van de lichte tak. Van haar mochten we op Hemelvaartsdag en Tweede Paasdag voetballen. Alleen niet op Eerste Paasdag. Dat waren belangrijke scheidslijnen in de protestantse hoek.” Hij bezocht de zondagsschool en deed mee aan kerkdiensten. Maar algauw begon het te knagen: “Tot mijn twaalfde mocht ik niet op zondag voetballen. Dat vond ik raar. Waarom niet?” Hij lacht aanstekelijk, met een jongensachtige blik, zoals vaker tijdens ons gesprek: “Ik dacht: ‘Wat zijn dat voor een afspraken’.”
Daar kwam bij dat de kerk in zijn optiek had gefaald tijdens de Tweede Wereldoorlog. De ooms en tantes hadden het daar steeds over tijdens familiefeestjes: “Het gaat erom wat de kerk doet en laat.” Hij roept de huiselijke sfeer op: “Allemaal op stoelen. Aan tafel, in elk geval in een soort kring. Een glazen potje met sigaretten in het midden. De vrouwen bij elkaar met een citroenjenever of advocaatje. De mannen apart, aan de jenever.”
Een oom was een halve oorlogsheld. Hij had palen uit de grond getrokken die de Duitsers hadden neergezet om te voorkomen dat de geallieerden er zouden landen. Een ander had in Duitsland moeten werken. “Van huis uit behoorden ze tot de kerk. Maar allen hadden ervaren dat ze op het moment suprême alleen stonden.”
Wat hem drijft? “Ik wil een fatsoenlijk mens zijn vanuit een algemeen-christelijke inspiratie.” Hij zucht: “Ik geloof niet dat je niet fatsoenlijk kunt zijn als je onkerkelijk bent. Of andersom, dat je alleen fatsoenlijk kunt zijn als je tot een kerkgenootschap hoort. Ik ken teveel voorbeelden van mensen die misdaden begingen, terwijl ze vooraanstaande leden van een kerk waren.” Op zijn achttiende trad hij actief uit: “Vanuit wetenschappelijk oogpunt valt het niet te bewijzen dat de wereld zo in elkaar zit als in de Bijbel wordt beschreven.”

Orkest

Zijn eigen ziekenhuis kent hij van binnenuit, ook als patiënt. Hij is niet vaak ziek geweest, maar na een ernstige val van een trap, waardoor hij zijn pols verbrijzelde en een schouder brak, moest hij worden opgenomen: “Na afloop had ik uiteraard enkele gedachten voor verbetering, ook al was de verzorging uitstekend.” Het herstel duurde een paar maanden maar zodra hij kon, liet hij zich per taxi naar zijn werk vervoeren.
Ambassadeur van harmonie en ausdauer: onder zijn leiding is het St. Antonius gefuseerd met Mesos Medisch Centrum in Overvecht en Oudenrijn. Hij kent alle managementboeken waarin staat dat zeventig procent van alles fusies gedoemd is te mislukken: “Maar als je niet fuseert, gaat het evenmin goed.” Hij stuitte op een Engelse techniek: investors in people, voor het eerst in de jaren tachtig toegepast. “De inzet is het doel van de onderneming te verbinden met de individuele ambities en beelden van de medewerkers.” Hij besprak zijn plannen met de beide ondernemingsraden: “Ik heb ze kennis laten maken met mensen die dit model al eens hadden toegepast. De or’s waren enthousiast. Daarna hebben we de medewerkers erbij betrokken.”
Ze noemden hun project Bedrijf naar je hart. Resultaat? Er was bijna geen verzet tegen de fusie. Geïnspireerd door If Disney ran your hospital van Fred Lee werd samen met de or de bejegening van de patiënten naar een hoger plan getild: Symfonie 440. Een blijmoedige Rook: “Het ziekenhuis als orkest waar de een de lessenaar neerzet, de ander de solo speelt maar waarbij het wel handig is als iedereen op tijd is en de juiste toon aanslaat. 440 staat voor de zuivere A die je krijgt als je de stemvork aanslaat: 440 Herz. En met die zuivere A ben je terug bij het Antonius.”

0 Reacties

om een reactie achter te laten
Top