Artikel

Joke van Lonkhuijzen: zendeling van de psychiatrie

Joke van Lonkhuijzen: zendeling van de psychiatrie

“Het vertrouwen in de geestelijke gezondheidszorg dient te worden hersteld.” Joke van Lonkhuijzen, bestuursvoorzitter van GGZ inGeest: “We zeggen veel te weinig dat we ertoe doen. Of waarom we iets doen.”

Door Willem Wansink. Uit Skipr magazine

De psychiatrie hoort bij het leven, stelt Joke van Lonkhuijzen (51). Sinds 2005 is zij bestuurslid van GGZ inGeest in Amsterdam, sinds 2009 bestuursvoorzitter. Zelf groeide ze op in Heerenveen. “Daar hadden we de dorpsgek. Laat ik hem Jaap noemen. Hij riep constant vieze woorden bij de Albert Heijn. Maar iedereen wist: ‘Dat is Jaap.’ Hij hoorde er gewoon bij. Hij liep altijd met een radio en wilde graag je karretje naar de auto brengen. Vaak stond hij te liften. De mensen wisten waar hij woonde en brachten hem thuis. Dag in dag uit.”
Ook in een Noordhollandse regio als Hoofddorp of Bennebroek, waar GGZ inGeest actief is, verlenen ouders, broers of zussen nog sociale steun. “Buren houden een oogje in het zeil en de huisarts kent een wat vreemde patiënt gewoonlijk beter.” In Amsterdam, waar zij werkt, zijn ggz-cliënten vaak eenzaam. “Daar is meer dynamiek en minder sociale controle. Mensen leven er eerder langs elkaar heen. Als ggz moeten wij ons uiterste best doen om iedereen te bereiken.”
Gevolg? De kosten in Amsterdam zijn hoger. Dertig tot veertig procent van de patiënten heeft bovendien een Turkse of Marokkaanse achtergrond. Hun huiver is groot om van de ggz gebruik te maken. Van Lonkhuijzen, met grote ogen: “De huiver? Als hun kind een eerste psychose heeft, dan komen de ouders niet eerst bij ons maar gaan ze meteen naar de imam in Marokko – omdat ze het niet kunnen bevatten. Daar moet je rekening mee houden.”

Twee keer kijken

Staccato: “Buitenlanders willen twee keer kijken. Wie ben jij? Wat kun je voor mij betekenen? Zij leggen niet snel hun angst of depressie bloot. Als ggz moeten wij veel uitleggen en vertrouwen zien te wekken. Daarom organiseert Prezens, onze afdeling preventie, bijeenkomsten met deze doelgroep waar medewerkers, psychiaters, deskundigen maar ook de raad van bestuur over de psychiatrie vertellen.”
“In de psychiatrie komen medewerkers met hart en ziel op voor hun cliënten. Wij proberen mensen met een psychische stoornis zo snel mogelijk beter te maken, zodat ze weer aan het arbeidsproces kunnen deelnemen of zelfstandig functioneren. Dat gebeurt met pillen en met praten; soms heeft iemand cognitieve therapie nodig, soms medicatie. En we letten op leefstijl: zorgen dat het je niet meer overkomt.”
In een eerder leven was zij verpleegkundige. “Wij doen hier niet aan luxe zorg. Waarom moet er dan op worden bezuinigd? In Nederland zijn mensen met een handicap uitstekend georganiseerd. Maar psychiatrische patiënten hebben geen sterke lobby. Dus komen wij voor ze op.” Met nadruk: “Prompt krijgen we te horen dat wij dit uit eigenbelang doen. Niets daarvan, het gaat om adequate zorg. Wie een depressie of een andere mentale stoornis doormaakt, heeft er evengoed recht op snel en zonder wachttijden te worden geholpen.” Ze hekelt de politieke kortzichtigheid: “Het levert meer maatschappelijke schade op als we mensen op de wachtlijst laten staan of bepaalde vormen van zorg niet verstrekken.”
Van Lonkhuijzen, zendeling van de psychiatrie, komt op dreef. Ze stoort zich eraan dat psychiatrische patiënten een eigen bijdrage moeten betalen. “Waarom moeten deze vaak gemarginaliseerde mensen wel betalen en mensen met hartklachten, kanker of diabetes niet?” Ze maakt een wegwerpgebaar. “Alsof een psychiatrische ziekte een keuze is. We hebben het hier ook over beschaving versus de economie.”

Druk kind

Ooit was zij zelf een druk kind. Tegenwoordig wordt daar meteen het etiket ADHD opgeplakt. “Ik kon niet stilzitten. Ik was met tien dingen tegelijk bezig. En nog vroeg ik aan mijn moeder wat ik kon doen omdat ik me gauw verveelde.” Kritisch: “De vraag is of ADHD wel zo vaak voorkomt. Wellicht moet je soms ook zeggen: ‘Dit is een druk kind. Dat moet je structureren.’ Voorlichten en de ouders leren hoe je ermee omgaat.”
Vol overgave praat zij zowel over de toenemende prestatiedruk in onze samenleving als over jongeren die in de ggz aan de slag kunnen. Met een ondertoon van verontrusting: “Er komt een groot arbeidsmarktprobleem op ons af. Straks hebben wij veel te weinig medewerkers. Als bestuurder wil ik laten zien dat ik daar in investeer. Duurzaam, op de toekomst gericht.”
In één adem door wijst zij op Jinc, het vroegere Campus Nieuw West, een initiatief van ondernemers om kansarme jongeren in contact te brengen met het bedrijfsleven. Van Lonkhuijzen heeft ervoor gezorgd dat leerlingen uit groep 7 en 8 stage kunnen lopen in de psychiatrie. Vooroordelen worden afgebouwd: “Zij zien met eigen ogen dat onze cliënten mensen zijn die in de war zijn. Kinderen zijn ontwapenend. ‘Als ik nu met u praat meneer, hoort u dan ook stemmen?,’ zei een meisje. Na verloop van tijd komen de ouders mee en weer later vragen zij of ze gastvrouw bij ons kunnen worden, of dinerhulp.”

Slager

Haar vader was slager in Heerenveen. Ze woonden boven de winkel aan het Breedpad. “Voor de slagerij lag de Heerensloot. ’s Winters, als die bevroren was, bond vader of moeder ons de schaatsen onder. Laarzen en houtjes, dan konden we schaatsen op het ijs.” Heerenveen is de stad van Abe Lenstra, Wim Duisenberg en Fedde Schure, de dichter die ze graag citeert. Aan de muur hangt een gedicht van hem. “Je moet ook van leven kunnen genieten,” vertaalt zij. Wat Friesland voor haar betekent? “Een zekere fierheid, trots. Saamhorigheid. In het westen is het vaak meer ‘ik, ik, ik’.”
Van Lonkhuijzens vader had graag doorgeleerd maar hij werd op zijn dertiende van school gehaald om in de winkel van zijn vader te komen werken; zes dagen in de week van ’s ochtends 6 of 7 uur tot ’s avonds 6 uur. Hij maakte er een bloeiende slagerij van: “We waren dé slager van Heerenveen.” Pas veel later werd hij voorzitter van de christelijke slagers en actief in pensioenfondsen.
Zij ging met hem naar de markt; ze klapt snel twee keer in haar handen. “Als hij met dat handjeklap een koe of varken had gekocht, dan mocht ik met een dikke stift de initialen van de slagerij erop zetten: OH. Otto Hoekstra. Zo heette mijn opa. Dan wist de familie Berger die de koeien ophaalde dat deze dieren voor Hoekstra waren.”
Haar grootvader van vaderskant had een foeragebedrijf en een kruidenierszaak. “Mijn oma was een mevrouw. Goed gekleed en goed gekapt. Dat vond mijn opa belangrijk.” Van moederskant waren het boeren: pake Sieger en beppe Sjoukje. “Alles had er zijn vaste plek, ook de Bijbel.” Hun dochter werd onderwijzeres maar na haar huwelijk werkte zij mee in de slagerij. “Mijn moeder is een praktische vrouw. Een winkelmeisje was duurder dan een dienstmeisje. Dus was er een dienstmeisje voor de kinderen.”
Vader slachtte op vrijdag. De koeien kregen een pin tegen het hoofd en meteen werd de keel doorgesneden. “Varkens maakten meer lawaai.” Daarna moest het vlees besterven. Op maandag was de winkel dicht, dan sneed hij pens. “Dat stonk vreselijk. Ik hield de zakjes open; voor de honden.” Ze wilde de zaak niet overnemen, dat deed haar broer. “Mijn ouders en grootouders wilden dat ik een beroep zou leren. Een beroep, het rijbewijs en dansles.”



Discipline

Meer herinneringen. Doorhalen in de nacht van 23 op 24 december. “Rollades inpakken. Rollades knopen. Rollades wegwerken. Echt, een discipline. Pas op Eerste Kerstdag konden we uitrusten.” De spaarzame vrije tijd werd besteed in Langweer, aan het water, waar haar ouders een stuk grond hadden gekocht. Zij leerde er zeilen.
Een gereformeerd milieu, vader was ouderling. Niet streng. “Alles was bespreekbaar. Een gouden leus was: ‘Je moet doen wat je hart je ingeeft’.” Het geloof is op de achtergrond geraakt. Diep nadenken over geloofszaken, “dat stijve”, doet ze niet meer. De kerk heeft ze niet nodig om te weten hoe zij in het leven staat maar haar wortels zal ze nooit verloochenen: “Elke dag je best doen, niet te laat komen, lange dagen maken, verantwoordelijkheid nemen. Dat is er met de paplepel ingegoten.” En zo nu en dan een “bilateraaltje.” Met wie? “God. Met een grote ‘G’.”
Ze is niet verschoond gebleven van tegenslag. Op 21-jarige leeftijd onderging zij een grote buikoperatie. Twee keer moest er een knobbeltje uit haar borst worden  verwijderd. Goedaardig, gelukkig geen nabehandelingen. “Toch staat de tijd stil als je zo’n diagnose hoort.” Haar man kreeg een ernstig auto-ongeluk. “Alles wordt dan relatief. Je huis, je bezit, je werk.”

Extra waarde

Controle is belangrijk: “Ik heb goede en kritische mensen om mij heen. Maar ik wil geen fouten maken. Als bestuursvoorzitter ben je de hele week van alles en iedereen. Constant overleg. Een vergadering voorzitten, voorbereiden. Dan ben ik tot in mijn vezels geconcentreerd, met een enorme spanningsboog.”
Haar antenne is de intuïtie: “Pluis, niet pluis: ik merk het meteen aan de stem van een directeur die mij belt. Ik zie het aan een gezichtsuitdrukking. Ik heb het snel door als ik ergens iets aan moet doen. Ik ga erop af en zeg: ‘Vergis ik mij of wil je dat we het daar nog een keer over hebben?"
De fusie van GGZ inGeest met het VUmc moet in 2012 zijn afgerond. “De psychiatrie moet terug naar de algemene geneeskunde. Dat levert toegevoegde waarde op. Neem mensen met ernstige diabetes. Zij moeten geestelijk goed in balans zijn. Dat geldt eveneens voor iemand met Parkinson, met een depressie, of vrouwen voor wie een aanstaande bevalling minder rooskleurig lijkt te zijn, de ‘Mamakits’ die nu ook met elkaar kunnen chatten. Door de samenwerking met het VUmc kunnen we van de huisarts en de verpleegkundige in de huisartsenpraktijk tot de gynaecoloog, de kinderarts en de psychiater extra waarde leveren.”
Moet de organisatie daarna nog groter worden? “Nee, dat is niet onze drive, en het is niet mijn drive. Wij willen wel steeds beter worden in ons werk.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0 Reacties

om een reactie achter te laten
Top