Artikel

Zeven hoofdzonden van schrijven voor beleid

Publicaties bedoeld voor (zorg)beleid zijn inhoudelijk vaak van hoog niveau. Soms ook zijn ze toegankelijk geschreven - maar dit lang niet altijd, en dat is zonde. Want een tekst die door niemand wordt gelezen, is verspilde moeite, tijd en geld.

Door: Flip Vuijsje

Voor auteurs van rapporten en adviezen is schrijven vaak iets dat ze 'erbij' moeten doen, naast het dagelijks werk in beleid of onderzoek. Bijna altijd zijn deze mensen universitair opgeleid, en met spelling en grammatica hebben ze normaal gesproken geen moeite. De pijn zit op andere punten.

De ‘zeven hoofdzonden’ die hier volgen, komen niet uit de theorie van tekst en taal, maar uit de praktijk van het redigeren. Dit zijn de foute gewoontes en patronen die je als editor van beleidspublicaties het meest tegenkomt.

Hoofdzonde 1: gewichtigdoenerij

Een goeie tekst is, ongeacht het onderwerp, prettig en direct geschreven. Het eerste waar je gewichtigdoenerij aan herkent, is nodeloos gebruik van moeilijke woorden en jargon. Het sleutelwoord is hier: nodeloos. Gebruik van bonafide vakterminologie, waarvoor geen synoniemen zijn in gewone-mensentaal, is bij een lezerspubliek van professionals alleen maar effectief.

Maar vaak zijn gewichtige woorden wél nodeloos, bijvoorbeeld bij uitdrukkingen afkomstig uit andere talen. Denk aan 'deficit' in plaats van 'tekort', aan 'feminien' als 'vrouwelijk' wordt bedoeld, aan 'deceptie' in plaats van 'teleurstelling', aan 'urbaan' als 'stedelijk' niet indrukwekkend genoeg klinkt.

Maar er zijn ook oer-Hollandse woorden die in hun geforceerde deftigheid niet meer toevoegen dan alleen hete lucht. Zoals 'wellicht' als je 'misschien' bedoelt, 'geenszins' als je 'niet' bedoelt, 'tevens' als je 'ook' bedoelt, 'derhalve' als je 'daarom' bedoelt, 'echter' als je ‘maar’ bedoelt, 'indien' als je 'als' bedoelt, 'dienen te' als je 'moeten' bedoelt…

Dit lijken misschien onschuldige dingen, maar ze schaden wel degelijk. Ze vormen een element van 'bezadigdheid’, dat de indruk wekt dat een auteur niet uitblinkt in scherpte en jeugdigheid van geest. Ook krijg je als lezer het gevoel dat de schrijver een inhoudelijke leegte wil verbergen, achter een rookgordijn van gewichtigheid.

Hoofdzonde 2: omhaal van woorden

Wijdlopigheid is altijd fout. Een korte tekst wordt eerder (uit)gelezen dan een lange. Aan een kortere tekst begin je eerder, en ook het lezen zelf gaat vlotter en prettiger.

Beleidsteksten, ook in de zorg, kunnen bijna altijd korter. Kunnen bijna altijd toe met zeker 15 tot 20 procent minder woorden, zonder dat van de inhoud ook maar íets verloren gaat.

Vermijden van ruis en ballast moet meteen al prioriteit hebben vanaf het eerste moment van schrijven. Maar dit in één keer goed krijgen, lukt bijna nooit. Daarom is ook revisie zo belangrijk. Dát is de fase waarin een auteur meedogenloos jacht moet maken, in haar of zijn eigen first draft, op iedere storende en vertragende overbodigheid. Op dubbelop-formulering. Op nodeloze herhaling. Op omslachtig taalgebruik. Op ‘lege’ woorden en uitdrukkingen.

Ook hoofdzonde 1 kijkt hier weer om de hoek. Gewichtigdoenerig formuleren is vaak vanzelf ook: met omhaal van woorden formuleren. Wie 'een drietal' schrijft in plaats van 'drie', gebruikt tweeënhalf keer zoveel karakters als nodig.

Hoofdzonde 3: verkrampt en formeel

Een beleidstekst moet natuurlijk vrij zijn van domme taal- en spelfouten. Maar dit is iets anders dan: de dood in de pot. Want niet alle regels zijn even absoluut, ook al willen strenge 'stijlboeken' en rigide denkende eindredacteuren soms anders doen geloven.

Iets in de passieve vorm gieten, is meestal geen goed idee - maar soms juist wel. Alinea’s van maar één zin lang, of zinnen zonder werkwoord, of zinnen die met ‘En’ beginnen, moeten geen gewoonte worden - maar dat dit helemaal nooit mag, is een benepen misverstand. Een tekst wint juist aan aantrekkelijkheid als een auteur af en toe buiten boekjes en standaardoplossingen gaat. Een zelfbedacht neologisme; een ongegeneerde alliteratie; een stukje spreektaal, zelfs met incorrecte grammatica. Op voorwaarde dat dit gedoseerd gebeurt, en niet als doorgeschoten gimmick: het is allemaal niet verboden.

Een serieus te nemen beleidstekst moet over de hele linie rust, redelijkheid en nuchterheid uitstralen. Maar dit is geen reden om niet af en toe juist wél wat extra leven in te blazen. Een onverwachte of elegante zinswending. Een originele metafoor. Een moment van net iets meer flair. Een extra puntige zin. En zelfs wat humor, heel af en toe, mits die maar voldoende spitsvondig is en never-nooit oubollig. Af en toe gewoon doen.

Hoofdzonde 4: afstandelijk-onpersoonlijk

Een recent boek van de Amerikaanse psycholinguïst en Harvard-hoogleraar Steven Pinker heet The Sense of Style. De ondertitel luidt 'The Thinking Person’s Guide to Writing in the 21st Century' - interessant dus voor auteurs van teksten voor beleid. Bij uitgeverij Atlas Contact verscheen een Nederlandse vertaling, met als titel 'Gevoel voor stijl'.

Schrijven, vindt Steven Pinker, is iets dat mensen niet van nature doen en heeft hierdoor al gauw iets kunstmatigs. Maar dit geldt niet voor spreken: dit zit al 'in' ons als we geboren worden. Wie prettig en effectief wil communiceren, handelt naar dit belangrijke inzicht. Die kiest voor een 'conversatie-achtige' toonzetting, in plaats van voor afstandelijke monoloog. En probeert dingen voor lezers zo veel mogelijk 'zichtbaar' te krijgen, door concreet, levendig, beeldend taalgebruik.

Een andere manier om dit te zeggen: kies zo veel mogelijk voor spreektaal. Niet in de zin van geforceerd-nonchalant omgaan met belangrijke regels van de taal, of van overdreven populair doen. Maar in de zin van: direct en levendig formuleren. Probeer u voor te stellen dat u een tekst niet opschrijft, maar gewoon vertélt: in een volwassen maar ontspannen gesprek met iemand van uw eigen niveau van kennis, intelligentie en sophistication. En schrijf dit dan ook zo op.

En omgekeerd: lees wat u heeft geschreven gewoon eens hardop aan uzelf voor, en vraag u dan af: is dit hoe ik dit ook zou zéggen? En als het antwoord nee is, dan is die tekst nog niet af.

Hoofdzonde 5: vormloos en vlak

Lezers moeten in hun tekst makkelijk hun weg kunnen vinden. Auteurs zijn zich hiervan tegenwoordig goed bewust, en doen hier zelf al veel aan. Zoals: een tekst opdelen in niet te lange hoofdstukken en paragrafen; puntige koppen en tussenkoppen maken; toevoegen van uitvergrote kerncitaten; tekstgedeelten afsplitsen in kaders. Maar het kan vaak nog beter, vooral als het gaat om interpunctie.

Interpunctie is iets waarbij, anders dan bij grammatica of spelling, ook hoogopgeleiden regelmatig echte fouten maken. Denk vooral aan dat eeuwige verwarren van uitbreidende en beperkende bijzinnen, iets dat de inhoudelijke betekenis van een zin compleet op zijn kop kan zetten. Maar interpunctie biedt ook positieve mogelijkheden: om een tekst beter navigeerbaar te maken.

Dat ‘korte zinnen altijd beter zijn dan lange’ is, ook als het gaat om beleidsteksten, een veelgehoord axioma. Maar dat is te simpel. Mits elegant geconstrueerd, met een mooi ritme, met een logische opeenvolging van bijzinnen, en natuurlijk met voldoende komma’s bij rustpunten en overgangen, kunnen goed gedoseerde langere zinnen een tekst juist aanvullen, verrijken, meer afwisselend maken - zeker als hierbij ook nog houvast-gevende leestekens worden ingezet zoals het 'liggende streepje'; om nog maar te zwijgen over het veel te weinig gebruikte instrument puntkomma.

Inderdaad: dat was één effectieve zin, van 62 woorden.

En soms mag je ook met interpunctie best creatief omgaan, en zijn voorschriften niet heilig. Zoals het plaatsen van een komma voor het woord 'en' - volgens velen in strijd met de regels van taalkundig correct schrijven, maar in de praktijk vaak reuze functioneel. ('Voor het maken van stroop gebruikte hij appels, en peren bewaarde hij voor de jam.')

Algemeen punt: beter een komma te veel, dan eentje te weinig. Want komma’s kunnen een zin meer structuur en reliëf geven, en dus lezers meer houvast. Hetzelfde geldt voor puntkomma’s, liggende streepjes, dubbele punten, haakjes, accenten op klinkers. Allemaal instrumenten die veel auteurs te zuinig gebruiken.

Hoofdzonde 6: te weinig tijd (1)

Iets opschrijven doe je niet zomaar, zeker niet bij een complex beleidsonderwerp. Dan wil je eerst álles hebben onderzocht, bestudeerd, overdacht; wil je eerst álles inhoudelijk op een rij hebben. Maar hier dreigt een fatale denkfout. Want uiteindelijk telt niet wat u zelf allemaal weet, maar alleen wat u hierover weet te communiceren.

Tijd is altijd schaars. En wie niet tijdig een punt zet achter het verzamelen van kennis en inzicht, komt vanzelf in tijdnood bij het daadwerkelijk schrijven van de rapportage. Het resultaat is dan een tekst die niet-optimaal is, vaak op alle criteria die ertoe doen: inhoudelijke volledigheid; samenhang en structuur; elegantie en levendigheid van stijl; taalkundige verzorging. Maak daarom altijd voldoende tijd vrij voor het schrijven van een first draft. Een goeie regel is: drie keer zo veel als u in eerste instantie zou denken dat nodig is.

En minstens zo belangrijk: reserveer van tevoren ook voldoende tijd voor revisie. In een first draft worden gemakkelijk fouten gemaakt. Op zichzelf is dit niet erg, het gaat er vooral om dat die versie 1 er eerst maar eens kómt. En hierbij mogen ‘flow’ en inspiratie niet teveel beteugeld worden door dan al te streven naar perfectie.

Vandaar het belang van revisie. Een goed geplande tweede fase, van 'jezelf redigeren', werkt veel praktischer dan alles de eerste keer meteen goed willen krijgen. Maar ook die revisie kost tijd. En wat voor het initiële schrijven, geldt ook voor het reviseren. Wie hiervan in de tijdbegroting een sluitpost maakt, doet zowel opdrachtgever als lezers te kort, en kiest voor minder dan maximaal rendement op de totaal geïnvesteerde inspanning.

Hoofdzonde 7: te weinig tijd (2)

Niet alleen de (absolute) hoeveelheid schrijftijd moet voldoende zijn, hetzelfde geldt voor de doorlooptijd van een tekstproductie. Een revisie doe je het best niet meteen na het schrijven, maar pas nadat wat tijd is verstreken - minimaal een dag, meer is nog beter. Want naarmate je als auteur met een frisser oog en meer afstand naar je eigen tekst kijkt, zie je meer dingen die beter kunnen.

Ook dit is een reden om niet pas vlak voor de deadline te gaan schrijven. Want zelfs als je dan nog aan revisie toekomt, gebeurt dit noodgedwongen te dicht op het schrijven zelf, en hierdoor imperfect.

Revisie doe je bovendien niet alleen zelf. Zeker binnen kennisorganisaties is het goud waard om first drafts aan collega’s te laten lezen, voor commentaar. Maar ook dit kost weer doorlooptijd, want niet iedereen kan dit dan onmiddellijk doen. Dus opnieuw: zorg voor voldoende tijdbuffer.

En soms is het verstandig om ook een professionele editor in te zetten. Ook die moet dan voldoende (doorloop)tijd krijgen, en ook dit wordt soms vergeten. Want nee: meteen 'morgen al af' lukt gewoon niet - tenzij u kiest voor broddelwerk.


Flip Vuijsje is oud-hoofdredacteur van Intermediair en Arts en Auto, en is zelfstandig editor van beleidspublicaties voor de zorg

0 Reacties

om een reactie achter te laten
Top