Vastgoed

Bij zinnige zorg hoort passende huisvesting

Voor ziekenhuizen is niet meer vanzelfsprekend dat zij alle zorg bieden zoals ze dat nu doen. VGZ geeft bijvoorbeeld zinnige zorg voorrang bij contractering en Bernhoven is het schoolvoorbeeld van een ziekenhuis dat probeert zich te beperken tot zinnige zorg. Zinnige zorg wordt ook wel uitgelegd als ‘betere zorg voor de patiënt tegen lagere kosten’. Het realiseren van goede ICT voorzieningen en een goed werkend gebouw staan vaak los van deze discussie. Maar voor zinnige zorg heb je passende huisvesting en ICT nodig.

Nu is het vaak zo dat de zorg verandert – andere zorgdiensten ontstaan of verdwijnen – en het gebouw niet of nauwelijks volgt. Dure behandelkamers worden opslagruimtes, verpleegkamers worden kantoor of vice versa. Vaak ervaren afdelingen daardoor een gebrek aan goede ruimte.

De paradox is dat de meeste ziekenhuizen te groot zijn. Arcadis concludeerde begin dit jaar op basis van onderzoek dat op dit moment al bijna 40 procent van de ziekenhuizen te groot is. En het meten van bezetting van ruimtes levert vaak het beeld op van een bezetting van ruimtes van rond de 30 procent.

Thuis

De ruimtebehoefte neemt alleen maar af. Door de technologische ontwikkelingen gaan delen van het primaire zorgproces vaker thuis plaats vinden. Voorbeelden hiervan zijn onder meer COPD-controles en -behandelingen, bewaking van boezemfibrillatie en thuis dialyseren. De NVZ noemt stelt dat ziekenhuizen moeten investeren in ICT in plaats van in stenen’. Ook het ministerie pleitte er voor om minder, of zelfs niet, te investeren in gebouwen.

Veel ziekenhuizen staan daarom voor de uitdaging hun gebouw te laten krimpen, vaak los van de vraag welke ruimtebehoefte zij eigenlijk hebben en wat voor gebouw nodig is voor zinnige zorg. Tel daarbij op dat medewerkers een gebrek aan ruimte ervaren en je hebt een ingewikkelde puzzel en veel dilemma’s op te lossen.

Passend

De sleutel voor dit vraagstuk ligt in het woord ‘passend’. Iets wat voor morgen passend is, hoeft dat voor overmorgen niet meer te zijn. Iets dat ‘passend’ is voor het ene specialisme, hoeft dat niet voor het andere te zijn. Het bepalen wat passend is, begint bij de vraag welke zorg nu en in de toekomst in een ziekenhuis verleend wordt en welke zorg ook ergens anders kan plaatsvinden.  Wat echt in een ziekenhuis moet plaatsvinden, bijvoorbeeld ingewikkelde operaties, is toekomst vaste zorg waar komende 20 à 30 jaar ruimte voor nodig is. Voor ambulante revalidatiezorg of poliklinische zorg is dat maar de vraag.

Vervolgens is de vraag welke ruimte passend is voor de toekomst vaste zorg. Het ‘passend’ maken van de ruimte kan alleen in dialoog met de gebruikers van de ruimte. Door hen te vragen naar hun de beleving van ruimtegebruik en te meten wat daadwerkelijk ruimtegebruik is, ontstaat een dialoog waarin ruimtegebruik geoptimaliseerd kan worden. Uit de onderzoeken die we afgelopen 10 jaar gedaan hebben, blijkt zonder uitzondering dat medewerkers het gebruik van de ruimte veel hoger inschatten dan hoe het in werkelijkheid is.

Medewerkers

De dialoog hierover, waarbij medewerkers mee werken aan de ontwerpopgave van het gebouw, leidt vaak tot een betere oplossing, waarbij niet perse meer ruimte nodig is, maar wel passende ruimte of voorzieningen het werk efficiënter en effectiever maken.  Soms worden ruimtes zelfs wat groter – denk aan opslagruimten voor apparatuur of verbruiksartikelen – doordat andere ruimtes efficiënter gebruikt worden door werkzaamheden anders te gaan plannen. Ruimtekosten moet dan ook gezien worden in relatie tot exploitatiekosten.

Er zijn genoeg voorbeelden van ziekenhuizen die besparen op vierkante meters, waarbij het krappe gebouw hen dwingt om met meer mensen hetzelfde werk te doen. Als je je realiseert dat de exploitatiekosten van huisvesting maar 8-12 procent bedragen van de totale exploitatiekosten en de personele kosten ca. 60 tot 70 procent dan kan minder ruimte ‘penny wise pound foolish’ uitpakken. Ook dat is iets dat medewerkers je vaak vantevoren kunnen voorspellen. Passend huisvesten wordt daarmee het met elkaar bepalen van de toegevoegde waarde van het weglaten of toevoegen van elke m2.

Marcel Bingley

Directeur en adviseur SQwin

Marcel Bingley_311

 

Marian Willigenburg

Directeur en adviseur SQwin

Marian Willigenburg_311

0 Reacties

om een reactie achter te laten
Top