Puberteitsremmers zijn bedoeld om de lichamelijke ontwikkeling van jongeren, van een meisje tot een vrouw of van een jongen tot een man, af te remmen. Die kunnen vanaf het begin van de puberteit worden gegeven, dus ongeveer wanneer een kind 12 jaar oud is. Vanaf 16-jarige leeftijd kunnen jongeren ook hormonen krijgen voor het geslacht dat ze willen krijgen, zodat ze fysiek meer op een man of een vrouw gaan lijken. Zulke middelen worden volgens de Gezondheidsraad pas toegediend “na uitgebreide diagnostiek en indicatiestelling”. Dat begint met een “verkennende fase”, waarin hulpverleners met jongeren en ouders kijken wat er precies speelt en of jongeren ook andere hulp nodig hebben.
Genderidentiteit
Volgens de raad twijfelt ongeveer 3 procent van de jongeren over de genderidentiteit. Bij een deel is dit de onzekerheid die elke puber voelt, zeggen de onderzoekers. Maar bij ongeveer 1 procent van de jongeren zit de twijfel dieper. Ze voelen zich echt niet thuis in het eigen lichaam en willen het liefst veranderen van geslacht. Dat gevoel is blijvend en ze hebben er in het dagelijks leven grote last van. Zo komen suïcidale gevoelens onder transgender jongeren 2,3 keer zo vaak voor als onder jongeren in het algemeen. Die klachten komen niet alleen doordat de jongeren twijfelen over wie ze zijn, maar ook door discriminatie en uitsluiting door anderen.
Mentale gezondheid
Volgens de Gezondheidsraad verbeteren hormonen de mentale gezondheid van transgender jongeren. “Dit geldt voor emotionele problemen, depressieve klachten, suïcidaliteit en zelfbeschadiging.” Het gebeurt weleens dat jongeren spijt krijgen van een transitie, erkent de Gezondheidsraad, maar volgens de onderzoekers is die groep verwaarloosbaar klein.
In vier centra kunnen jongeren transgenderzorg krijgen. Die zijn in Amsterdam, Groningen, Nijmegen en Zaandam. De centra kampen echter met grote wachtlijsten. De Gezondheidsraad adviseert om huisartsen en de reguliere geestelijke gezondheidszorg de eerste gesprekken te laten afhandelen. Zij kunnen filteren welke kinderen het meest gebaat zijn met psychologische hulp en welke kinderen beter een fysieke behandeling kunnen krijgen. Daarvoor zouden de huisartsen en ggz-hulpverleners zelf ook betere voorlichting moeten krijgen. (ANP)