Volgens De Jong heeft het tijdens de coronapandemie “schade berokkend aan de onafhankelijkheid van de wetenschap” dat zijn voorganger Jaap van Dissel destijds als directeur van het CIb regelmatig naast de minister-president of de minister van VWS stond tijdens persconferenties. Daardoor werd voor het publiek minder duidelijk waar wetenschappelijk advies ophield en politieke besluitvorming begon.
“Er is een scheidslijn tussen advies, de bestuurlijke afstemming en het politieke besluit. Bij een volgende pandemie moet kraakhelder zijn hoe dat in elkaar steekt”, aldus De Jong in het NRC-artikel. Hij ziet liever een aparte toelichting door het RIVM dan gezamenlijke optredens met bewindspersonen.
De Jong benadrukt dat Nederland inmiddels beter is voorbereid op een volgende pandemie dan tijdens de uitbraak van Covid-19. Er is meer geïnvesteerd in pandemische paraatheid en volgens hem moet die lijn worden doorgezet. Hij pleit onder meer voor het verder versterken van surveillancesystemen, zoals rioolwatermonitoring en het beter benutten van gezondheidsdata, met inachtneming van privacyregels.
Tegelijkertijd ziet de nieuwe CIb-directeur nieuwe bedreigingen opdoemen. Hij noemt onder meer de toenemende antibioticaresistentie, de dalende vaccinatiegraad, desinformatie op sociale media en de gevolgen van klimaatverandering, waardoor tropische infectieziekten vaker Nederland kunnen bereiken. Ondanks die uitdagingen is De Jong optimistisch. “Nederland heeft alle potentie om het sterkste land ter wereld te zijn qua infectieziektebestrijding”, zegt hij. Volgens hem beschikt Nederland over een sterke kennisbasis bij universiteiten, ziekenhuizen, GGD’en, laboratoria en het RIVM, die nog beter met elkaar verbonden moet worden.