BLOG

Splitsingsbevoegdheid IGZ is verkeerde symboolpolitiek

Splitsingsbevoegdheid IGZ is verkeerde symboolpolitiek

De Brancheorganisaties Zorg (Boz) hebben een brief gestuurd naar de vaste Kamercommissie voor VWS, omdat ze tegen het plan zijn om de IGZ de bevoegdheid te geven zorgorganisaties op te splitsen. Het is goed dat de BoZ dit doen, omdat de overheid zich ten principale niet moet willen bemoeien met de organisatiestructuur van individuele zorgorganisaties.

Verstandig commentaar

In haar verstandige commentaar op Kamervragen over de bestuursperikelen rondom het Maasstad ziekenhuis heeft minister Schippers ook voor een vergelijkbaar uitgangspunt gekozen. In dat kader stelde ze bovendien dat goed bestuur niet wordt bevorderd door nog meer nieuwe instrumenten voor de overheid of extra regelgeving. Aldus lijkt het er een beetje op dat de Splitsingsbevoegdheid voor de IGZ moet worden uitgewerkt omdat hij nu eenmaal in het regeerakkoord is aangekondigd. In praktische zin heeft dit ertoe geleid dat deze maatregel, met name vanwege de gekozen uitwerking, getypeerd moet worden als verkeerde symboolpolitiek.

Splitsingsbevoegdheid

De splitsingsbevoegdheid wordt in een adem genoemd met de fusietoets. De splitsingsbevoegdheid wordt echter gekoppeld aan de kwaliteit van de zorg en niet aan de grootte van een organisatie. Dat kan ook niet anders, omdat de kerntaak van de IGZ en het wettelijk kader waarin de splitsingsbevoegdheid moet worden geregeld, de kwaliteitswet is. De keuze voor deze maatregel impliceert wel dat de minister veronderstelt dat de kwaliteit van zorg in kleinere organisaties beter is dan in grootte. Waarom anders splitsing afdwingen na geconstateerde leemtes in de kwaliteit?

Ultimum remedium

De splitsingsbevoegdheid is bedoeld als ultimum remedium, zo stellen de bewindspersonen. Dit betekent dat de maatregel pas in beeld komt als bestuurders van instellingen ondanks eerdere interventies van de IGZ of de minister toch het niveau van de zorg niet op voldoende kwalitatief niveau (kunnen) brengen én als er een aantoonbare relatie bestaat tussen de structuur van de organisatie en de tekortschietende kwaliteit van de zorgverlening. Slechts dan krijgt de IGZ de bevoegdheid (dus niet de verplichting) om “structurele maatregelen” op te leggen. ”De facto komt dit neer op het kunnen opleggen van een verplichting tot opsplitsing (afstoting van bedrijfsonderdelen).” Er zijn echter ook andere structurele maatregelen denkbaar, lijkt mij. De organisatie laten overnemen door een goed functionerende organisatie, bij voorbeeld.

Structurele maatregelen

Alvorens de IGZ structurele maatregelen kan overwegen, moet zij dus een expliciete relatie weten te leggen tussen de tekortschietende kwaliteit en de structuur van de organisatie die de zorg aanbiedt. Dat lijkt mij altijd discutabel en voor de rechter aanvechtbaar. Maar dat is niet het enige. De IGZ moet ook aantonen dat er een gerede kans bestaat op voortduring of herhaling van de kwaliteitsproblemen indien niet in de ondernemingsstructuur wordt ingegrepen. Ten slotte kan een structurele maatregel alleen worden opgelegd wanneer er niet een even effectieve corrigerende maatregel bestaat of als een dergelijke even effectieve maatregel voor de betrokken zorgaanbieder meer belastend zou zijn dan de structurele maatregel. Het vraagt volgens mij wel heel veel fantasie voordat dit aan de orde kan zijn. Misschien is het daarom maar beter deze discussie niet al te serieus te nemen of beter nog: gewoon ermee stoppen.

Marc van Ooijen

1 Reacties

om een reactie achter te laten

Anoniem

26 september 2011

Marc van Ooijen houdt van principiele standpunten. Prima, maar in de echte wereld wordt vaak opportunistisch gehandeld en dus niet op basis van principes. In die echte wereld moet VWS/IGZ over bevoegdheden beschikken die ingrijpen waar het pijn doet. De plitsingsbevoegdheid is er zo een.

De vraag die Marc zou moeten stellen is volgens mij: beschikt het VWS/IGZ over voldoende bevoegdheden om haar taak te vervullen? Zo nee, is de spitsingsbevoegdheid een welkome aanvulling?

Wat mij betreft is het antwoord daarop volmondig: nee gevolgd door ja. Maar als we er een principiele discussie van maken dan heb ik (zoals Marc correct betoogt) geen sterke argumenten.

Top