Het gaat om de uitgaven aan medicijnen die mensen thuis nemen, niet binnen zorginstellingen. Dat zijn de kosten van het medicijn plus de vergoeding voor de zorg die daarbij komt kijken. De geneesmiddelenkosten maken bijna 75 procent van de uitgaven uit.
Het overige deel bestaat voor bijna 98 procent uit tarieven die apothekers en zorgverzekeraars overeenkwamen voor de zorg die direct betrekking heeft op het verstrekken van geneesmiddelen. De overige 2 procent declareerden apothekers voor zorgprestaties die niet gerelateerd zijn aan een verstrekking.
Nieuwe geneesmiddelen
De SFK ziet verder dat het gebruik van relatief nieuwe geneesmiddelen toeneemt. Vooral de uitgaven aan nieuwe diabetesmiddelen (+€ 100 mln/+21 procent), cholesterolverlagers (+75 mln/+24 procent) en bloedverdunners (+37 mln/+7 procent) namen toe. Aan de vergoeding van deze relatief nieuwe middelen worden voorwaarden gesteld. In totaal declareerden apothekers ongeveer 1,7 miljard euro aan middelen met een aanvullende vergoedingsvoorwaarde.
Andere prijzen
Opvallend is dat de zorgverzekeraars en de overheid de uitgaven lager ervaren dan de SFK berekent. “Afspraken tussen verzekeraars en apothekers, fabrikanten en de overheid én fabrikanten en verzekeraars, leiden in toenemende mate tot andere (geneesmiddel)prijzen dan de door apothekers in eerste instantie gedeclareerde kosten”, verklaart de stichting.
Verrekening
Volgens cijfers van het Zorginstituut Nederland verrekenden zorgverzekeraars met apothekers, leveranciers en VWS achteraf ruim 929 miljoen euro (tegenover 777 miljoen in 2024). Daarmee stijgt het aandeel van de uitgaven dat achteraf wordt gecorrigeerd naar 15 procent van het totale gedeclareerde bedrag aan apotheekzorg.
Verder rekent de SFK eigen bijdragen toe aan de uitgaven, terwijl verzekeraars die tot een bedrag van 250 euro per kalenderjaar bij de patiënt in rekening brengen.