In november 2025 oordeelde het CBb al dat de NZa de toenmalige huisartsentarieven onvoldoende had onderbouwd. De zorgautoriteit kreeg destijds de opdracht om haar berekeningen voor onder meer de huisvestingskosten en de normatieve arbeidskostencomponent (NAC) opnieuw te maken. Hoewel de huisartsenorganisaties in het herziene besluit van eind juni 2026 verbetering zien op het gebied van huisvesting, oordelen zij dat de overige knelpunten onvoldoende zijn aangepakt.
Kern van de bezwaren
De juridische procedure draait in de basis om de vraag of de tarieven voldoende ruimte bieden om verantwoorde huisartsenzorg te leveren. De eisers richten zich hierbij specifiek op twee punten.
Allereerst stellen de artsen dat de NZa-berekening tekortschiet in de waardering van het praktijkhouderschap. De zware verantwoordelijkheid die hiermee gepaard gaat en het daadwerkelijke aantal gewerkte uren worden volgens hen nog onvoldoende meegewogen.
Daarnaast heerst er onvrede over het gehanteerde plafond in de arbeidskosten. De NZa rekent in haar tarieven met een maximale vergoeding die is gebaseerd op een werkweek van 36 uur. Huisartsen die meer uren maken, krijgen deze extra arbeidskosten niet toegerekend. Dit zorgt volgens de LHV voor een onrealistisch beeld van de werkelijkheid in huisartsenpraktijken.
Spanningsveld
Bestuursvoorzitter Geranne Engwirda van de NZa zei in juni: “De NZa heeft de signalen en zorgen van huisartsenorganisaties nadrukkelijk meegenomen in het herbeoordelingstraject. We stellen ons toetsbaar op en blijven leren en verbeteren, bijvoorbeeld door transparant te zijn over de methodieken die we gebruiken. Tegelijkertijd is het onvermijdelijk dat het vaststellen van maximumtarieven een spanningsveld oplevert.”
