Hugo de Jonge. Foto: Sem van der Wal / ANP
De doelen van de corona-aanpak waren glashelder en Hugo de Jonge, destijds minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, blijft ze herhalen in het eerste verhoor. Kwetsbare mensen beschermen en voorkomen dat de zorg overbelast zou raken, het virus in de smiezen houden en zorgen voor maatschappelijke en economische continuïteit.
De maatregelen die het kabinet nam werden niet vurig bediscussieerd, zegt de Jonge meerdere kinderen. “We wilden het virus zo hard mogelijk raken en de samenleving zo min mogelijk.” In eerste instantie was het kabinet zich impliciet bewust van de gevolgen voor de samenleving. Naarmate de tijd verstreek werd die roep vanuit en voor de samenleving explicieter. “In de eerste golf was het hozen. In de tweede golf waren we beter geïnformeerd.”
Regionale aanpak
Na de tweede golf volgde een zomer van opluchting. “Iedereen was opgelucht dat we die eerste golf achter de rug hadden. In onze communicatie zie je ook dat we hoopten, misschien wel geloofden, dat we een tweede golf konden voorkomen.”
In die zomer werd er ook gewerkt aan een regionale aanpak voor als er weer lokale oplevingen kwamen. De Jonge was al snel voor een landelijke aanpak. “We vroegen te veel van burgermeesters. En al snel bleek: Nederland is te dicht bevolkt voor een regionale aanpak.” Hij weet niet meer wie tegen een landelijke aanpak was, toch bleef er te lang bij de regionale aanpak. “Er was de hele zomer gewerkt aan de regionale aanpak. Het was niet te mogelijk om dat zomaar aan de kant te schuiven.”
Volksgezondheid
De Jonge was niet alleen verantwoordelijk voor de lichamelijke volksgezondheid van mensen, maar ook het mentale, maatschappelijke en sociale welzijn. “Dit was natuurlijk een van de worstelingen. Bijvoorbeeld iets als eenzaamheid. De meest ernstige maatregel was het bezoekverbod in verpleeghuizen.” Maar ondanks dit bewustzijn, en de worsteling, had De Jonge niet anders besloten als hij nu in dezelfde situatie had gestaan: “Als ik had gekozen om de scholen open te houden of voor het mentale welzijn, dan had de Tweede Kamer toen en nu hele andere vragen gesteld. Ik denk niet dat het anders als er ooit een vergelijkbaar virus is en een vergelijkbare pandemie.”
De Jonge weet niet waarom verpleeghuizen de regels soms strikter hanteerden dan nodig was. Hij denkt dat het door “een alles overrompelende vrees en de wil om te beschermen” kwam. Volgens hem was er wel vaak gecommuniceerd over de maatregelen, onder meer via Kamerbrieven en via de branchevereniging ActiZ. Hij wees erop dat de verpleeghuiszorg een versnipperd veld is met ruim 2500 locaties.
Inspectie
De Jonge had op drie momenten direct contact met de inspecteur-generaal over het handelen van een individuele arts. “Ik vond dat de IGJ zichtbaar moest optreden”, zei hij op de of hij vond dat de IGJ niet goed functioneerde. “Het functioneren van de IGJ valt onder de verantwoordelijkheid van de minister. En ik was ook verantwoordelijkheid voor het functioneren van het stelsel.”
Ondanks dat De Jonge op drie momenten contact had met de IGJ over één arts, bleef hij in het verhoor stellen dat zijn contact met de IGJ ging over witte jassen die de die de vaccinatiecampagne ondermijnde en de effectiviteit van de vaccins in twijfel trok. Hij wilde weten waarom de IGJ er na twee jaar “nog steeds niet verder was dan één tuchtzaak. Mijn rol is niet om op individuele zaken in te gaan, maar om te verifiëren werkt het stelsel zoals het moet?”
Arm voor arm
Hugo de Jonge voerde stevig campagne voor vaccinatie. Tot en met ‘we doen dat wijk voor wijk, deur voor deur, arm voor arm’. Het was een uitspraak die polariseerde. “Arm voor arm is beeldspraak. Ik was bezig met mijn werk. Een minister van Volksgezondheid kan geen Zwitserland zijn, zich neutraal opstellen en zeggen: kijk maar wat je doet. Vooral omdat een klein deel van de samenleving zich niet had gevaccineerd, 15 procent. En ondertussen was driekwart van de mensen met corona in het ziekenhuis niet gevaccineerd. En daar leed de samenleving ook onder. Ik wilde ze geen schuldgevoel aanpraten, maar wel duidelijk zijn.”
Coronatoegangsbewijs
Het kabinet heeft het coronatoegangsbewijs in de zomer van 2021 te snel ingevoerd en dat is een “dure les” geweest, erkent de Jonge. Jongeren mochten destijds na een vaccinatie tegen het coronavirus direct weer naar nachtclubs, die na een lange lockdown weer open waren gegaan. De maatregel leidde tot veel nieuwe besmettingen en werd snel teruggedraaid.
“Dat bleek een te grote stap”, zei De Jonge tegen de parlementaire enquêtecommissie corona. “Het leek epidemiologisch verantwoord, maar dat was het niet. Het is een dure les geweest.”
Het coronatoegangsbewijs was een QR-code waarmee een recente negatieve test, doorgemaakte besmetting of vaccinatie kon worden aangetoond. Het kabinet was al gewaarschuwd dat daarvan geen wonderen verwacht moesten worden. “Het was geen bestrijdingsmiddel”, zei De Jonge, hooguit een manier om de risico’s van versoepelingen van de maatregelen te verminderen.
Vaccinatiegraad
De Jonge ontkent dat het coronatoegangsbewijs (ctb) bedoeld was om mensen ertoe aan te zetten zich alsnog te laten vaccineren. Het doel was de samenleving zo veilig mogelijk weer te openen voor activiteiten, toen het aantal coronabesmettingen in 2021 was teruggelopen, zei hij tegen de parlementaire enquêtecommissie corona.
De commissie hield De Jonge appjes voor die hij destijds met een ambtenaar had gedeeld, waarin hij leek te suggereren dat een hogere vaccinatiegraad het doel was. De oud-minister bezwoer dat hij het een “mooi neveneffect” vond.
Het ctb hield in dat mensen naar een activiteit mochten als ze konden aantonen dat ze gevaccineerd waren, een besmetting hadden doorgemaakt of recent waren getest op het coronavirus. Het toegangsbewijs zou volgens De Jonge een “remmend effect” moeten hebben op risico’s voor een nieuwe besmettingsgolf. “We wilden dingen mogelijk maken die epidemiologisch spannend waren.”(Skipr/ANP)

