Ik constateer dat de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) de betekenis van deze uitspraken onvoldoende onderkent. In plaats van ziekenhuizen op te roepen om vergelijkbare BAC-constructies kritisch tegen het licht te houden, benadrukt de brancheorganisatie vooral het casuïstische karakter van de uitspraken. Daarmee wordt de verantwoordelijkheid volledig bij individuele ziekenhuizen gelegd.
Beoordelen
Een logische reactie zou zijn geweest om ziekenhuizen te adviseren hun BAC-diensten te inventariseren. En te beoordelen of deze juridisch houdbaar zijn in het licht van de recente jurisprudentie.
Ik verwacht dat de discussie over BAC-diensten de komende periode niet zal afnemen. Het zal zich juist verder ontwikkelen binnen individuele ziekenhuizen en mogelijk ook in toekomstige rechtszaken. Met het oog op de cao-onderhandelingen die later dit jaar van start gaan, zullen deze uitspraken naar verwachting een belangrijke rol spelen in het debat over bereikbaarheid, consignatie en passende compensatie voor zorgmedewerkers. Waarbij wij zullen vasthouden aan de intentie van de afspraken die toen bij de cao zijn gemaakt. Zware belasting voor medewerkers, daar moet een behoorlijke prijs voor worden betaald.
Specifieke situaties
De rechtszaken zijn aangespannen door vakbonden tegen twee ziekenhuizen die zijn aangesloten bij de NVZ. Hoewel de NVZ in haar communicatie benadrukt dat er sprake is van uitspraken over specifieke situaties, bevatten de uitspraken naar mijn mening belangrijke aanknopingspunten voor werknemers die vergelijkbare BAC-diensten draaien.
In één van de uitspraken oordeelt de kantonrechter expliciet: ‘De kantonrechter oordeelt dat de diensten die medewerkers draaien die in de beroepsgroep verpleging en verzorging vallen, bereikbaarheidsdiensten zijn in de zin van de cao Ziekenhuizen.’ Daarmee maakt de rechter duidelijk dat de feitelijke kenmerken van een dienst doorslaggevend zijn voor de beoordeling.
Extra handen
Daarnaast overweegt de kantonrechter: ‘Van werkelijk onvoorziene omstandigheden is geen sprake in de situatie van het zorgpersoneel. De aard van het werk brengt mee dat op elk moment extra handen aan het bed (of in het laboratorium) nodig kunnen zijn.’ Deze overweging onderstreept dat werkgevers goed moeten motiveren waarom een dienst als consignatiedienst zou moeten worden aangemerkt.
Een belangrijk onderdeel van beide uitspraken is verder dat het criterium van een oproeppercentage niet als maatstaf mag worden gehanteerd. De kantonrechter overweegt hierover: ‘Of een oproep onvoorzien is of niet, kan niet op basis van een (arbitrair bepaald) percentage – het aantal daadwerkelijke oproepen – worden vastgesteld.’ Daarmee wordt een veelgebruikt argument van werkgevers terzijde geschoven.
De kern van beide uitspraken is wat mij betreft helder. Niet de naam van een dienst, maar de feitelijke omstandigheden bepalen hoe deze juridisch moet worden gekwalificeerd. Dat vraagt van ziekenhuizen dat zij bestaande BAC-constructies kritisch tegen het licht houden.
Door Elise Merlijn, bestuurder en cao-onderhandelaar FNV Zorg & Welzijn