Huisarts Rob Elens werd tijdens de coronapandemie een van de bekendste Nederlandse artsen die pleitte voor vroege behandeling van COVID-19 met een combinatie van bestaande medicijnen, met name hydroxychloroquine, azitromycine (een antibioticum) en zink. Tijdens zijn verhoor voor de parlementaire enquêtecommissie corona op 17 juni vertelde Elens dat de IGJ onaangekondigd langskwam, dat hij meerdere brieven en waarschuwingen kreeg en dat hij zich door de inspectie “opgejaagd wild” voelde.
Vandaag vroeg voorzitter Daan de Kort (VVD) van de coronacommissie aan Eckenhausen of de IGJ naar aanleiding van een bericht van de minister inderdaad stappen heeft ondernomen tegen Elens. In reactie op het appje van de minister had Eckenhausen immers geantwoord: “Weet dat ik er bovenop zit in alle opzichten. Als we een hard en houdbaar argument vinden, gaan we er zeker voor.”
Eckenhausen ontkende vandaag echter dat druk van de minister invloed heeft gehad op de keuzes van de IGJ in deze zaak. “Het is heel gebruikelijk dat bewindspersonen mij appen. Iedereen mag signalen doorgeven”, zei ze tegen de commissie. “Maar ik ben ervan overtuigd dat de inspectie tot een onafhankelijk oordeel is gekomen.”
Vraagtekens bij nut BAO
Tijdens het verhoor van Eckenhausen ging het onder andere ook over het zogenoemde Bestuurlijk Afstemmingsoverleg (BAO). Het BAO was een belangrijk onderdeel van de besluitvormingsketen rond de bestrijding van COVID-19. Het BAO stond tussen het wetenschappelijke advies van het Outbreak Management Team (OMT) en de politieke besluitvorming door het kabinet. Aan het overleg namen onder meer vertegenwoordigers van ministeries, veiligheidsregio’s, gemeenten, het RIVM en andere betrokken organisaties deel. Ook de IGJ was vertegenwoordigd.
Tijdens haar verhoor zei Eckenhausen dat zij het BAO een ingewikkeld overleg vond. “Er lag heel erg de focus op medische informatie. Met mijn achtergrond als kinderarts kan ik dat volgen, maar ik vraag me wel af hoe dat was voor mensen aan tafel zonder die expertise. En ik heb me ook wel eens afgevraagd: wat zitten wij hier te doen? We kregen de stukken nooit op tijd binnen om ons erin te kunnen verdiepen. Vaak kwamen ze een kwartier van tevoren en ik heb ook wel eens meegemaakt dat we de stukken helemaal niet kregen. Of dat we zaken in het BAO gingen bespreken terwijl ik daarvoor op de radio al had gehoord wat er allemaal al was besloten.”
