Mensen leven langer met en na kanker en hebben daardoor vaker voor langere tijd zorg en ondersteuning nodig. Veel van die ondersteuning vindt plaats buiten het ziekenhuis en dichtbij huis, bijvoorbeeld op het gebied van herstel, bewegen, voeding, vermoeidheid, psychosociale klachten en werk. Daarbij zijn vaak meerdere zorgverleners en organisaties betrokken. Voor cliënten en zorgverleners is het niet altijd eenvoudig om hun weg te vinden in het aanbod van zorg en ondersteuning. Oncologiezorgnetwerken brengen deze zorgverleners en organisaties bij elkaar, zo licht de IGJ toe.
De inspectie bezocht zeven oncologiezorgnetwerken, om te zien hoe die zorg dicht bij huis in de praktijk wordt georganiseerd. Daaruit bleek dat de veelal bevlogen zorgprofessionals zich inzetten voor passende zorg en ondersteuning. De inspectie zag echter ook zorgwekkende zaken. “De samenwerking binnen de netwerken is sterk, terwijl organisatorische en financiële basis eronder kwetsbaar is. Zonder duidelijke governance, gedeeld eigenaarschap en structurele financiering kunnen deze netwerken niet duurzaam worden ingericht”, aldus de IGJ.
Structurele financiering
De inspectie zag in veel netwerken dat de organisatorische basis wankel is. “De samenwerking leunt vaak sterk op een klein aantal kartrekkers en vrijwillige inzet. In meerdere regio’s hoorden wij dat structurele financiering en borging ontbreken. Daardoor blijft het voortbestaan van activiteiten of samenwerking soms afhankelijk van individuele inzet en beschikbare tijd van professionals.”
Samenwerking buiten het netwerk
Binnen de netwerken weten professionals elkaar vaak goed te vinden, maar samenwerking met partijen buiten het netwerk is nog niet altijd vanzelfsprekend, ziet de inspectie. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om samenwerking met huisartsen(organisaties), ziekenhuizen, informele zorg, het sociaal domein, palliatieve netwerken of andere regionale samenwerkingsverbanden.
“De meerwaarde van het netwerk voor andere partijen is niet altijd duidelijk waardoor het netwerk nog niet overal als vanzelfsprekende samenwerkingspartner wordt gezien”, schrijft de IGJ. “Dit heeft directe gevolgen voor cliënten, die niet altijd vanzelf hun weg vinden naar passende ondersteuning. Netwerken zijn veelal nog zoekende naar hun positie binnen de bredere regionale infrastructuur van zorg en ondersteuning.”
Cliëntperspectief
Alle zeven netwerken benadrukken het belang van persoonsgerichte zorg en kwaliteit van leven. In de praktijk wordt hier ook naar gehandeld, tegelijkertijd ziet de inspectie dat in de meeste netwerken het cliëntperspectief nog onvoldoende structureel wordt benut. “Ervaringen van cliënten worden niet systematisch opgehaald, cliënten zijn beperkt betrokken bij ontwikkeling van het netwerk. Dit terwijl juist cliënten belangrijke signalen kunnen geven over knelpunten in de zorg en ondersteuning, bijvoorbeeld rondom nazorg, herstel of het vinden van passende begeleiding.”
Van elkaar leren
De oncologiezorgnetwerken verschillen in omvang, organisatie en ontwikkelfase. Sommige netwerken hebben een stevige organisatiestructuur en governance, uitgewerkte samenwerkingsafspraken en/of een duidelijke regionale positie opgebouwd, terwijl andere netwerken juist sterker zijn in informele samenwerking en korte lijnen, lokale verbinding tussen professionals.
Juist deze verschillen bieden mogelijkheden om van elkaar te leren, stelt IGJ tot slot. “In meerdere regio’s zagen wij voorbeelden van werkwijzen of initiatieven die ook voor andere netwerken waardevol kunnen zijn. Netwerken kunnen concreet van elkaar leren en elkaars aanpak benutten om verdere stappen te zetten.”