Foto: Anela/peopleimages.com/stock.adobe.com
In een notitie van 8 september richt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) zich tot de Landelijke Spoedzorgtafel met een ‘reflectie ten aanzien van differentiatie in de acute zorg binnen ziekenhuizen’.
Met de brief reageert de IGJ op een passage in het onderhandelaarsakkoord AZWA, waarin door de bij het akkoord betrokken partijen is afgesproken dat “uiterlijk in Q4 2025 een voorstel wordt uitgewerkt dat bestaat uit een set gedifferentieerde kwaliteitseisen voor verschillend aanbod van acute zorg in ziekenhuizen. Zij maken hierbij gebruik van de inzichten uit het toezicht van de IGJ en brengen de mogelijke gevolgen in kaart.”
Differentiatie
In het kader van het AZWA is door beleidsmakers, veldpartijen en hun vertegenwoordigers gediscussieerd over de vraag of differentiatie in de acute zorgfuncties in ziekenhuizen mogelijk een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en toegankelijkheid van de acute zorg – en daarmee het beschikbaar houden van zorg ‘dichtbij’.
Die differentiatie, aldus de IGJ, is al gaande. Ten eerste omdat Spoedeisende Hulp-afdelingen onderverdeeld zijn in drie ‘levels’: level 1 t/m 3 traumacentra, met aflopende zwaarte van de patiënten die ze kunnen ontvangen en dito toezichtsregime. Ten tweede omdat – als het goed is regionaal afgestemd – verschillende SEH’s in verschillende ziekenhuizen verschillende profielen (expertises) hebben.
Bijzondere verschijningsvormen
Er is echter een nieuwe ontwikkeling gaande waarbij ziekenhuizen spoedlocaties inrichten, anders dan een traditionele reguliere SEH. Voorbeelden zijn de opkomende spoedpleinen, waarbij SEH, HAP en vaak ook spoedeisende ggz proberen binnenkomende patiënten zo goed mogelijk te triageren om hen zo goed mogelijk aansluitende zorg te kunnen leveren. De IGJ gebruikt voor deze nieuwe vormen van spoedzorgorganisatie de term ‘bijzondere verschijningsvormen’.
Drie voorbeelden daarvan noemt de inspectie: het Spoedplein van Gelre Ziekenhuizen, locatie Zutphen functioneert een deel van de dag wel als SEH en een deel van de dag niet. Twee afdelingen, namelijk de afdeling Specialistische Spoedopvang (SSO) van Amsterdam UMC, locatie Boelelaan en de Acute Zorgafdeling (AZA) van Zuyderland MC, locatie Sittard-Geleen, functioneren 24 uur per dag als niet-SEH.
Kwaliteitskader Spoedzorgketen
De vraag die de IGJ zich in de notitie stelt, is hoe ze als inspectie met deze ‘bijzondere verschijningsvormen’ dient om te gaan. Op die vraag is volgens de IGJ geen eenduidige antwoord mogelijk. Enerzijds is er het Kwaliteitskader Spoedzorgketen, waarin de volgende bepaling is opgenomen: “De in dit kwaliteitskader opgenomen normen voor de SEH zijn ook van toepassing voor die locaties/afdelingen in het ziekenhuis die zijn gericht op de opvang, triage en behandeling van (niet verwezen) patiënten, die normaliter op een SEH opgevangen zouden worden, en acute zorg nodig hebben en zichzelf geen SEH noemen, maar wel zo functioneren.”
Volgens die tekst zouden de ‘bijzondere verschijningsvormen’ als ‘gewone’ SEH’s moeten worden gezien, waarvoor dezelfde kwaliteitseisen gelden.
Anderzijds – aldus de IGJ – geven de ‘bijzondere verschijningsvormen’ nadrukkelijk aan dat zij niet functioneren als een reguliere SEH. Daarbij is het ook zo dat zorgaanbieders in ons stelsel ruimte hebben om te innoveren en zorg op andere manieren te organiseren.
Denkoefeningen
De IGJ zet zich nu op het standpunt dat ze op grond van bovengenoemde bepaling niet kan stellen dat de bijzondere verschijningsvormen inderdaad onder het Kwaliteitskader Spoedzorgketen vallen.
In de discussie over hoe de bijzondere verschijningsvormen dan wel moeten worden gezien met betrekking tot het toezichtsregime, doet de IGJ een aantal denkoefeningen om tot betere beantwoording van die vraag te kunnen komen. Ze komt tot drie mogelijke interpretaties van SEH-differentiatie en de daarbij horende basis voor toezicht, waarbij ze alleen in de derde interpretatie een plaats inruimt voor de ‘bijzondere verschijningsvormen’.
Belangrijkste probleem daarvan is volgens de inspectie hoe hulpverleners vooraf patiënten kunnen herkennen die wel met een acute zorgvraag in het ziekenhuis opgevangen moeten worden, maar niet zijn aangewezen op de SEH: “Het is volgens de IGJ (…) niet mogelijk om hier een uitputtende lijst van zorgvragen daarvoor op te stellen.” Maar ze erkent ook: “Tegelijkertijd geven de zorgverleners in de drie ziekenhuizen met een bijzondere verschijningsvorm die de IGJ in 2025 bezocht heeft, en ook de ketenpartners aldaar aan dat het onderscheid in de praktijk wel voldoende te maken is.”
Welwillendheid
De IGJ suggereert vervolgens dat er een instrument ontworpen zou kunnen worden om adequaat onderscheid tussen patiënten te kunnen maken, parallel aan een dergelijk instrument dat wel beschikbaar is voor de intensive care. Dat laatste lijkt vooral een demonstratie van welwillendheid van de IGJ.
Welwillend is de IGJ ook met betrekking tot de drie betreffende ziekenhuizen: “We zien dat ze zich inspannen om met de bijzondere verschijningsvorm een bijdrage te leveren aan kwaliteit en toegankelijkheid van zorg.” De inspectie ziet daarbij voor een deel van de patiënten voordelen, zoals sneller gezien worden door de medisch specialist die verantwoordelijk is voor de vervolgzorg.
Andere oplossingen
Maar dan: “De vraag is echter of dat niet minimaal net zo goed geregeld (en dus mogelijk beter dan hoe het nu werkt) kan worden op een reguliere SEH. Daarnaast kan het ziekenhuis de ketenpartners, met name de HAP wanneer deze binnen de ziekenhuislocatie is gevestigd, blijven ondersteunen. Deze ondersteuning hangt niet alleen samen met de aanwezigheid van een SEH, maar met de gehele intramurale spoedzorg dus ook het Spoed Interventieteam (SIT), reanimatieteam en eventueel de intensive care.”
Ze vervolgt: “De IGJ ziet de bijzondere verschijningsvorm dan ook nadrukkelijk niet als een manier om de ondergrens te kunnen verlagen en daarmee als oplossing voor de krapte en schaarste aan personeel in sommige regio’s. Als krapte en schaarste op de arbeidsmarkt het probleem is dat primair moet worden opgelost, vindt de IGJ dat er andere, landelijke oplossingen zouden moeten worden overwogen.”
Onduidelijkheid
Tot slot vraagt de IGJ aandacht voor eenduidigheid in de organisatie van de zorg. “Wanneer zorgaanbieders de zorg sterk uiteenlopend organiseren, kan dit leiden tot onduidelijkheid voor patiënten en ketenpartners over het zorgaanbod en daarmee tot risico’s in de zorg. (…) Hetzelfde geldt ook wanneer de zorg op vergelijkbare wijze is georganiseerd maar hiervoor uiteenlopende terminologie wordt gebruikt. Ook wordt hierdoor het vaststellen van landelijke normen, het bevestigen van de status van deze normen en de handhaving door de IGJ bemoeilijkt.”
De IGJ sluit af met de verzekering dat ze met deze notitie geen voorschot wenst te nemen op enige uitkomst van het debat over de toekomst van de spoedeisende zorg. “Het is aan de veldpartijen, zorgaanbieders en overige betrokkenen om invulling te geven aan hun eigen rol en verantwoordelijkheid ten aanzien van normstelling. Of en hoe zij daarbij gebruik maken van de inzichten van de IGJ is aan hen.”
Congres Acute zorg
Woensdag 10 december, Utrecht
De druk op de acute zorg is ongekend hoog. Inmiddels is duidelijk: de oplossingen liggen niet op de SEH’s alleen. De kansen liggen in structurele samenwerking binnen het gehele netwerk. Maar hoe organiseren we dat effectief?
Tijdens de tiende editie van het Zorgvisie Acute zorg-congres worden mogelijke oplossingsrichtingen besproken. Ook krijgt u inzicht in succesvolle praktijkvoorbeelden, beleidsontwikkelingen en vernieuwende samenwerkingsmodellen.

