Binnen de huisartsenzorg stijgen de uitgaven met 8 procent naar een totaal van 5,9 miljard euro. Dit is een direct gevolg van stijgende loonkosten en hogere consulttarieven. Zo gingen de lonen van huisartsen in loondienst in februari al met 3 procent omhoog, en volgt er per 1 juli een loonsverhoging van 2,9 procent voor doktersassistenten.
Daarnaast is de structurele vergoeding voor de regeling ‘Meer tijd voor de patiënt’ opgeschroefd van 3,23 euro naar 3,40 euro per ingeschreven patiënt. Dit stelt huisartsen in staat om consulten van vijftien in plaats van de gebruikelijke tien minuten aan te bieden. Deze uitbreiding moet de werkdruk in de praktijken verlichten en de kwaliteit van de zorg verder verbeteren.
Ziekenvervoer
Ook het ziekenvervoer laat een relatief hoge kostenstijging zien van 8,7 procent, goed voor in totaal 1,2 miljard euro. Dit wordt met name veroorzaakt door het ambulance- en helikoptervervoer. Om ervoor te zorgen dat de Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV’s) en meldkamers operationeel en dekkend blijven, heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) het budget verhoogd. Dit vertaalt zich in een tariefstijging van 5 procent.
Wlz
Waar de kosten in de zorg voor kwetsbare ouderen in 2025 nog een stevige groei van 12,3 procent lieten zien, vlakt deze stijging in 2026 af tot 8,1 procent (totaal 1,6 miljard euro). Deze daling in de groei is toe te schrijven aan relatief lagere uitgaven voor revalidatiezorg en trajectzorg. Het zogenoemde eerstelijnsverblijf, een kortdurend verblijf in een zorginstelling, blijft wel een flinke stijger met een verwachte toename van 9,5 procent.
Tot slot nemen de uitgaven binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) toe. Deze kosten stijgen met 5 procent tot een totaal van 40,8 miljard euro. Hierbij vallen de kosten voor het persoonsgebonden budget (pgb) met een stijging van 6,4 procent iets hoger uit dan de reguliere zorg in natura (4,8 procent).

De berichtgeving wekt opnieuw de indruk dat de stijgende zorguitgaven vooral worden veroorzaakt door hogere tarieven voor huisartsen, ambulancediensten en de vergrijzing. Daarmee wordt de aandacht afgeleid van de werkelijke vraag: hoeveel van het zorgbudget gaat nog naar de patiënt en hoeveel naar het systeem dat rondom de zorg is opgebouwd?
Dat huisartsen meer tijd krijgen voor hun patiënten is geen kostenpost, maar een investering in betere zorg. Een huisarts die vijftien minuten de tijd heeft voor een consult, kan problemen eerder signaleren, onnodige verwijzingen voorkomen en de kwaliteit van de zorg verbeteren. Het is dan ook onterecht om juist deze ontwikkeling als belangrijke oorzaak van de stijgende zorguitgaven te presenteren.
Veel zorgwekkender is de voortdurende groei van de bureaucratie sinds de invoering van de Zorgverzekeringswet in 2006. In de afgelopen twintig jaar is een kostbaar stelsel ontstaan van zorgverzekeraars, uitgebreide controlemechanismen, complexe regelgeving en een administratieve infrastructuur die jaarlijks miljarden euro’s kost. Zorgverzekeraars beschikken over dure hoofdkantoren, omvangrijke managementlagen, kostbare ICT-systemen, reclamecampagnes, sponsoring, juridische afdelingen en een uitgebreid controleapparaat. Daar komen de kosten van accountants, externe adviseurs, toezichthouders en talloze ondersteunende organisaties nog bovenop.
Ook zorgaanbieders betalen hiervoor een hoge prijs. Het ingewikkelde DBC-systeem en de steeds verder uitdijende verantwoordingsplicht zorgen ervoor dat artsen, verpleegkundigen en andere zorgverleners dagelijks een groot deel van hun werktijd kwijt zijn aan registreren, declareren en verantwoorden. Automatisering had deze administratieve lasten moeten verminderen, maar heeft in de praktijk vaak geleid tot nóg meer registraties, controles en verantwoordingsverplichtingen. Daardoor besteden zorgverleners steeds minder tijd aan patiënten en steeds meer tijd aan beeldschermen.
Het zou mij dan ook niet verbazen als een zeer aanzienlijk deel van de totale zorguitgaven inmiddels opgaat aan administratie, controle en systeemkosten in plaats van aan directe patiëntenzorg. Juist daar zou een onafhankelijke analyse zich op moeten richten. Niet door opnieuw te kijken naar de kosten van een huisartsconsult of een ambulancerit, maar door volledig inzichtelijk te maken hoeveel geld daadwerkelijk de patiënt bereikt en hoeveel blijft hangen in de bureaucratie.
Opvallend is bovendien dat de gepubliceerde grafiek pas begint in 2006, precies het jaar waarin de Zorgverzekeringswet werd ingevoerd. Daardoor ontbreekt het historische perspectief. Juist een vergelijking met de jaren vóór 2006 zou laten zien hoe de zorguitgaven zich ontwikkelden vóór de invoering van de marktwerking en of het nieuwe stelsel daadwerkelijk heeft geleid tot een betere beheersing van de kosten. Zonder die vergelijking ontbreekt een essentieel deel van het verhaal.
Na bijna twintig jaar marktwerking mag de vraag eindelijk worden gesteld of het stelsel zijn beloften heeft waargemaakt. Is de zorg eenvoudiger, doelmatiger en betaalbaarder geworden? Of is vooral een kostbare bestuurlijke en administratieve laag ontstaan die steeds meer middelen opslokt? Dat is de discussie die gevoerd zou moeten worden. Niet over een paar euro extra voor een huisartsconsult, maar over de miljarden die jaarlijks verdwijnen in een systeem dat steeds complexer, duurder en bureaucratischer is geworden, terwijl de patiënt daarvan nauwelijks profiteert.