Dat blijkt uit nieuwe cijfers over het jaar 2024 van het Europees statistiekbureau Eurostat.
Oost- en Centraal-Europa koploper
In Nederlandse ziekenhuizen waren in 2024 gemiddeld 221 bedden voor opnamen beschikbaar per 100.000 inwoners. Binnen de gehele Europese Unie heeft alleen Zweden een nog lagere capaciteit, met 187 bedden per 100.000 inwoners. Ook Denemarken (226), Finland (248), Spanje (283) en Ierland (293) behoren tot de groep van zes EU-landen die ruim onder de grens van 300 ziekenhuisbedden blijven.
Het Nederlandse beeld staat in schril contrast met de situatie in Oost- en Centraal-Europa. Koploper Bulgarije telt maar liefst 870 ziekenhuisbedden per 100.000 inwoners – bijna vier keer zoveel als Nederland. Ook buurland Duitsland (759) en Roemenië (731) beschikken over een aanzienlijk grotere klinische ziekenhuiscapaciteit.
Europees kampioen in verpleeghuiszorg
Waar Nederland hekkensluiter is in de reguliere ziekenhuiszorg, toont de statistiek voor de langdurige zorg een compleet omgekeerd beeld. Als het gaat om bedden in verpleeghuizen en andere residentiële zorginstellingen, voert Nederland de Europese ranglijst ruim aan.
Met 1.390 bedden in de langdurige zorg per 100.000 inwoners laat Nederland andere koplopers zoals Zweden (1.298) en België (1.249) achter zich. De Zuid- en Oost-Europese landen noteren in deze categorie juist extreem lage cijfers. In Griekenland zijn er slechts 20 bedden voor langdurige zorg per 100.000 inwoners beschikbaar, in Bulgarije 26 en in Portugal 94.

Intramurale zorg in EU. Relatief heeft NL weinig ziekenhuisbedden en meer langdurende zorgplaatsen dan elders in EU. Enkele verklaringen: NL is dichtbevolkt en kent relatief korte afstanden; NL heeft goede eerste lijnszorg waardoor zowel voorkomende klinische zorg als passende nazorg beschikbaar is; de poliklinische zorg is goed bereikbaar; NL is gemiddeld zeer gezond. Maar heeft een relatief hoge levensverwachting dus meer aandacht voor langerdurende zorg thuis en in verpleeghuizen. In waarden en normen zijn er grote verschillen in de EU. Dat individuele zorg vooral zelfzorg of professionele zorg en veel minder dan elders in de EU familiezorg en mantelzorg betreft gezondheid: ieder voor zich zaak en algemene hulp wordt bezien als kostenpost ( VWS begroting ) en is geen teken van beschaving of een vanzelfsprekende humane ( en/of religieuze) opgave.
De cijfers van Eurostat zijn veelzeggend, maar vertellen slechts de helft van het verhaal. Dat Nederland bijna de minste ziekenhuisbedden van Europa heeft, is geen natuurverschijnsel. Het is het resultaat van jarenlang beleid waarin economische efficiëntie belangrijker werd gevonden dan zorgcapaciteit.
Onder het motto van ‘doelmatigheid’ zijn ziekenhuizen steeds kleiner geworden. Bedden verdwenen, verpleegafdelingen werden gesloten en de gemiddelde ligduur moest zo kort mogelijk worden. Op papier leverde dat mooie besparingen op. In de praktijk betekent het dat ziekenhuizen voortdurend op de grens van hun capaciteit werken. Bij een griepgolf, een pandemie of personeelstekorten loopt het systeem direct vast. Dat hebben we tijdens de coronacrisis pijnlijk gezien.
Tegelijkertijd is Nederland Europees koploper in langdurige zorg. Ook dat is geen reden om te juichen. Het laat vooral zien dat we enorm veel mensen hebben die langdurig afhankelijk zijn van professionele zorg. De vraag die vrijwel niemand stelt, is waarom zoveel mensen uiteindelijk in een verpleeghuis of zorginstelling terechtkomen.
Misschien moeten we veel eerder beginnen. Gezondheid ontstaat niet in een ziekenhuis of verpleeghuis, maar thuis, in een veilige woning, met voldoende inkomen, goede voeding, beweging, sociale contacten en tijdige ondersteuning. Als we daarin zouden investeren, zouden minder mensen ziek worden en minder mensen langdurige zorg nodig hebben.
Het wrange is dat Nederland jaarlijks honderden miljarden euro’s uitgeeft aan zorg, terwijl preventie, welzijn en leefomgeving nog steeds een sluitpost zijn. We blijven dweilen met de kraan open. We investeren vooral in het behandelen van ziekte, niet in het voorkomen ervan.
Nog iets valt op. We hebben steeds minder ziekenhuisbedden, maar het aantal managers, toezichthouders, controleorganen, registratiesystemen en administratieve verplichtingen is de afgelopen twintig jaar explosief gegroeid. Door een tablet van een manager is nog nooit één patiënt beter geworden. Een extra verpleegkundige aan het bed wel.
De conclusie is daarom niet dat Nederland meer ziekenhuisbedden nodig heeft of nóg meer verpleeghuizen moet bouwen. De echte conclusie is dat ons zorgbeleid uit balans is geraakt. Zolang gezondheid ondergeschikt blijft aan economische modellen en marktwerking, blijven we achter de feiten aanlopen. De toekomst ligt niet in steeds meer zorg, maar in een samenleving waarin mensen langer gezond blijven. Dat vraagt om een verschuiving van zorgstaat naar leefstaat.