In Den Haag verschuiven miljarden, terwijl in spreekkamers patiënten op steeds langere wachtlijsten belanden. De vraag is niet óf we keuzes moeten maken, maar hoe en met wie.
Stip op de horizon
Het kabinet is niet blind voor deze realiteit. De Miljoenennota bevat beloften die hoop geven: versterking van eerstelijns zorg, minder regeldruk, eenvoudigere gegevensuitwisseling, samenwerking met sociaal domein, betere bescherming tegen agressie. Los van elkaar goede stappen, maar een samenhangend geheel richting een echte stip op de horizon is het niet.
De zorg heeft meer nodig dan versnipperde maatregelen. Ze verlangt naar een visie die verder kijkt dan kabinetsperiodes, naar samenhang tussen departementen die nu in gescheiden werelden lijken te leven, en naar een langetermijnplan dat wettelijk verankerd is, zodat zorgprofessionals met vertrouwen kunnen bouwen aan de toekomst, ook als er over twee jaar weer een nieuwe wind waait in Den Haag.
Medische reflexen
“Maar we weten toch wat nodig is?” hoor ik u denken. Inderdaad. De inkt van de handtekening onder het AZWA is net droog. Als zorgprofessionals staan we midden in de praktijk die papieren plannen moet waarmaken. Dagelijks maken we het onderscheid tussen zorg die werkelijk verschil maakt en medische reflexen die meer kosten dan opleveren. Juist daarom moeten wíj richting geven aan verandering.
Om die verantwoordelijkheid waar te maken, hebben we professionele ruimte nodig, ruimte die niet vanzelfsprekend is in het huidige systeem. Het tuchtrecht illustreert dit: ooit bedoeld als leermiddel, nu aanjager van defensieve geneeskunde. ‘Alles doen wat kan’ wordt de veilige route. Tegelijkertijd worden we geconfronteerd met schaarste. Artsen zijn opgeleid om zorg te bieden, niet om deze te verdelen. Toch dwingt de realiteit ons steeds vaker tot precies dat dilemma. Elke keer dat we ‘nee’ moeten zeggen, laat dat sporen na. Die morele stress raakt niet alleen ons, maar ook de mensen voor wie we zorg dragen. Zorgprofessionals die moeilijke maar verantwoorde keuzes maken, verdienen rugdekking, geen onzekerheid.
Publieke dialoog
Hier ligt een concrete opdracht, niet alleen voor de politiek, maar voor ons allen. Dit vraagt om een nieuw soort samenspel. Als artsen brengen we onze praktijkkennis en ervaring in, de politiek stelt de noodzakelijke randvoorwaarden waarin passende zorg niet alleen de norm is, maar ook beschermd wordt, terwijl de samenleving, via patiëntenorganisaties en publieke dialoog, richting geeft aan onze gedeelde waarden en prioriteiten.
Het hoopvolle is dat de beweging al gaande is. Ik spreek dagelijks collega’s die kritisch naar hun eigen handelen kijken en de moed hebben om ‘less is more’ in praktijk te brengen. Bestuurders experimenteren met vernieuwende zorgvormen en teams bewijzen op de werkvloer dat het anders kán. Deze koplopers tonen wat mogelijk wordt wanneer we gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen. Maar laten we praktisch blijven: zonder steun van politiek en samenleving blijven deze initiatieven beperkt tot enkele voorlopers in een systeem dat volume blijft belonen.
De keuzes die we nu maken, bepalen of er morgen nog bevlogen professionals zijn die het verschil willen maken voor hun patiënten. Want de kracht van ons vak schuilt niet in protocollen of richtlijnen, maar in de onwrikbare wil om zorg te verlenen, juist als omstandigheden uitdagend zijn. Mijn oproep is daarom even simpel als urgent: laten we nu samen optrekken: zorgprofessionals, politiek en samenleving. Het is tijd voor een gezamenlijke toekomstvisie die recht doet aan het vak, aan de professionals die elke dag hun hart erin leggen, en aan iedereen die ooit van onze zorg afhankelijk zal zijn.
Jurriaan Penders,
voorzitter artsenfederatie KNMG

