De NZa publiceert zojuist de nieuwe tarieven, die zijn aangepast op last van de rechter. Opdracht van de rechter was om de huisartsentarieven voor de afgelopen drie jaar opnieuw te berekenen wegens een rammelende onderbouwing.
Geen juichstemming
De huisartsen vinden het besluit van de NZa echter volstrekt onbegrijpelijk. LHV-voorzitter Marjolein Tasche: “De belangrijkste gebreken in de bekostigingsystematiek zijn niet hersteld. Wij hadden verwacht dat de NZa deze kans zou benutten om de tarieven eerlijker en toekomstbestendig te maken. We hebben er alles aan gedaan om ze daartoe te bewegen. Dat is een grote teleurstelling voor ons en voor alle huisartsen.”
Termijn opgerekt
De eis om uiterlijk op 18 mei met nieuwe tarieven voor de huisartsenzorg te komen, legde NZa anderhalve maand geleden naast zich neer. Op eigen houtje besloot de NZa de termijn op te rekken omdat een half jaar blijkbaar onvoldoende was om tot een besluit te komen. Tegen Skipr verwoordde de NZa dit als volgt: “De extra tijd is nodig om zorgvuldig onderzoek te doen en voorstellen van huisartsen te beoordelen om zo te komen tot een goed onderbouwd besluit.”
Nieuwe tarieven 2025 en 2026
De NZa heeft in de afgelopen tijd opnieuw gekeken naar de huisvestingskosten en heeft daarbij een nieuwe onderzoeksmethode gebruikt. Hiervoor is door TNO in kaart gebracht wat de kosten van adequate huisvesting zijn. Wat adequate huisvesting is, is door dit bureau gebaseerd op de door de Landelijk Huisartsen Vereniging zelf opgestelde bouwnormen. Op basis daarvan stijgt de vergoeding voor huisvesting met 35 procent. Vanaf 2025 komt er jaarlijks 60 tot 70 miljoen bij op de maximumtarieven voor de huisartsenzorg om te investeren in huisvesting. Dat komt neer op een extra vergoeding van ongeveer 10.790 euro per gemiddelde praktijk. Daarnaast kunnen huisartsen afspraken op maat maken met zorgverzekeraars. De mogelijkheden voor huisartsen en verzekeraars om aanvullende financiële afspraken te maken worden na de zomer verruimd zoals afgesproken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord.
NZa
Bestuursvoorzitter Geranne Engwirda: “De NZa heeft de signalen en zorgen van huisartsenorganisaties nadrukkelijk meegenomen in het herbeoordelingstraject. We stellen ons toetsbaar op en blijven leren en verbeteren, bijvoorbeeld door transparant te zijn over de methodieken die we gebruiken. Tegelijkertijd is het onvermijdelijk dat het vaststellen van maximumtarieven een spanningsveld oplevert.”
Eerdere uitspraak rechter over huisartsentarieven
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven stelde in haar uitspraak van 18 november 2025 de huisartsen dat de door de NZa vastgestelde tarieven voor huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg, voor de jaren 2023, 2024 en 2025, niet kostendekkend zijn. Het CBb borduurde in haar uitspraak voort op een uitspraak uit 2023. De rechter bepaalde toen dat de NZa de tarieven moest herberekenen omdat ze waren gedaan op basis van kostenonderzoek uit 2015. Vervolgens kwam de NZa met herijkte tarieven op basis van kostenonderzoek over het jaar 2022. Maar ook dat vond de rechter ontoereikend: wederom was niet duidelijk waarom de tarieven voor 2023, 2024 en 2025 kostendekkend zouden zijn.
Kostprijsonderzoek
In het gewraakte kostprijsonderzoek gaat het om de huisvestingskosten en om de normatieve arbeidscomponent (dat is het norminkomen dat wordt toegerekend aan de huisartsenpraktijken die aan het kostprijsonderzoek hebben meegedaan). Volgens het College heeft de NZa ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat veel huisartsen te krap gehuisvest zijn en zullen moeten investeren in nieuwe, grotere en/of aangepaste praktijkruimte. De NZa had nader onderzoek moeten doen naar de financiële knelpunten bij het oplossen van huisvestingsproblemen en nader had moeten onderzoeken wat de kosten van huisvesting voor de praktijken zijn als zij wel over adequate huisvesting zouden beschikken. Daarnaast voldoet het door Berenschot gefabriceerde rapport over de normatieve arbeidscomponent niet aan de eisen voor transparantie.
Reactie LHV
Volgens de LHV houdt de NZa op drie essentiële punten vast aan dezelfde uitgangspunten die de rechter eerder afwees. De NZa blijft de praktijkhoudend huisarts vergelijken met werknemers in cao’s die uitgaan van een 36-urige werkweek en verzuimt te corrigeren voor meer uren die huisartsen werken. Daarmee wordt onvoldoende recht gedaan aan de verantwoordelijkheid van de huisarts als ondernemer, werkgever en poortwachter van het Nederlandse zorgstelsel.
‘Praktijkhouders geraakt’
De NZa blijft in de tariefberekening uitgaan van een fulltime werkweek van 36 uur of meer en 46 werkweken of meer per jaar. Huisartsen die structureel meer werken, krijgen daarvoor in de tariefberekening geen extra waardering. Huisartsen die minder werken, tellen wel naar beneden mee. De LHV: “Wij stellen dat je daardoor geen eerlijk gemiddelde krijgt en dat een groot deel van de daadwerkelijke arbeidsinzet in de tariefberekening niet wordt meegenomen. Dat raakt juist praktijkhouders, terwijl uit onderzoek blijkt dat zij gemiddeld aanzienlijk meer uren werken (volgens Nivel 53 uur/week). Ook de rechter concludeerde eerder dat deze manier van rekenen tot scheve uitkomsten leidt.”
‘Afhankelijk van andere partijen’
De NZa zet op basis van het TNO-onderzoek een stap voor de huisvestingskosten, dit leidt tot een tariefstijging van 2,2 procent met terugwerkende kracht vanaf 2025. De LHV: “Dat is een verbetering ten opzichte van de eerdere situatie. Tegelijkertijd kiest de NZa ervoor slechts een deel van de extra kosten via de basistarieven (Segment 1) te vergoeden. Voor een belangrijk deel verwijst zij naar financiering door andere partijen, zoals zorggroepen en zorgverzekeraars. Daarmee blijven veel praktijkhouders afhankelijk van tal van andere partijen om afspraken mee te maken over een hogere vergoeding voor huisvesting, terwijl juist de NZa-tarieven kostendekkend hadden moeten worden.”
Hoe gaat het verder?
De LHV bereidt juridische vervolgstappen voor om alsnog uitvoering af te dwingen van de uitspraak van het CBb.
