De aandacht voor dit onderwerp is niet toevallig actueel. Met de Richtlijnen Reanimatie in Nederland 2025, die de Nederlandse Reanimatie Raad eind oktober 2025 publiceerde, is de lat voor AED-inzet hoger gelegd. De norm voor beschikbaarheid is aangescherpt: bij de reanimatie moet een AED in principe binnen één minuut bereikbaar zijn en zo snel mogelijk worden aangesloten. De AED is daarmee explicieter dan ooit een belangrijke schakel in de keten van overleving. Die aangescherpte verwachting heeft een keerzijde die in de richtlijnen impliciet blijft: een apparaat dat binnen één minuut beschikbaar is, moet het op dat moment ook daadwerkelijk doen. Snelheid zonder betrouwbaarheid is betekenisloos.
Een verantwoordelijkheid met een juridische ondergrond
Juridisch is die verantwoordelijkheid minder vrijblijvend dan vaak gedacht. Een AED is niet verplicht, maar werkgevers hebben op grond van de Arbowet een zorgplicht voor een veilige werkomgeving, en uit de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) kan volgen dat een AED met getrainde hulpverleners een passende maatregel is. Wie dat eenmaal heeft vastgesteld en het apparaat plaatst, schept daarmee wél de verplichting om het inzetbaar te houden. Daar komt bij dat een AED een medisch hulpmiddel is dat onder de Europese Medical Device Regulation (MDR) valt. De gebruiks- en onderhoudsvoorschriften van de fabrikant zijn daarmee geen vrijblijvend advies, maar het kader waarbinnen een organisatie het apparaat hoort te beheren.
De verantwoordelijkheid ligt bij de beheerder, niet bij de hulpverlener
Het is een misverstand dat de verantwoordelijkheid bij een incident automatisch bij de hulpverlener komt te liggen. De bescherming die iemand geniet wanneer hij te goeder trouw te hulp schiet, geldt voor diens handelen in de noodsituatie, niet voor de staat waarin het apparaat verkeert. De verantwoordelijkheid voor een werkende AED ligt bij de eigenaar of beheerder: de organisatie die het apparaat ophangt. Een vrijwilliger die op het beslissende moment met een niet-functionerend toestel wordt geconfronteerd, kan dat niet meer rechtzetten. De bestuurlijke vraag is dus niet “hebben wij een AED?”, maar “kunnen wij aantonen dat onze AED’s inzetbaar zijn?”

Waarom het in de praktijk soms misgaat
In de praktijk komt het beheer er vaak bekaaid vanaf. Een AED wordt aangeschaft, opgehangen en daarna grotendeels aan het zicht onttrokken. Veel apparaten voeren zelf periodiek een interne test uit en tonen met een statuslampje dat ze gereed zijn. Dat is geruststellend, maar een statuslampje is geen volledige garantie dat een toestel in elk opzicht inzetbaar is en het ontslaat een organisatie niet van de plicht om er zelf op toe te zien. Verbruiksartikelen als de batterij en de elektroden hebben bovendien een beperkte houdbaarheid en moeten tijdig worden vervangen, en ook het apparaat zelf heeft een eindige technische levensduur, doorgaans rond de acht à tien jaar. Zonder iemand die hier structureel op let, verschuift een organisatie ongemerkt van “veilig” naar “veilig denken te zijn”.
Beheer als governance-instrument
De oplossing is geen kwestie van toeval, maar van organisatie. Aantoonbaar beheer betekent dat er gestructureerd onderhoud is, met heldere verantwoordelijkheden, dat aansluit op de voorschriften van de fabrikant en op de eigen situatie. Het betekent dat de vervaldata van batterij en elektroden bewaakt worden en dat vervanging proactief gebeurt, niet pas nadat een storing zich aandient. En het betekent registratie: zowel in een intern beheersysteem, zodat het bestuur op elk moment de status van elk apparaat kan overleggen, als in het landelijke oproepsysteem HartslagNu, zodat de AED ook buiten de eigen muren van waarde is. Zo wordt beheer wat het hoort te zijn: een vorm van aantoonbare zorgvuldigheid in plaats van een aanname.
Van losse aankoop naar geborgd beheer
Voor bestuurders komt het neer op een handvol vragen. Weten we van elke AED waar hij hangt en of hij inzetbaar is? Is er één verantwoordelijke voor het beheer, of valt het tussen wal en schip? Worden verbruiksartikelen op tijd vervangen, en is dat vastgelegd? Zijn de apparaten geregistreerd? En kunnen we dat alles aantonen als het erop aankomt? Wie deze vragen niet met zekerheid kan beantwoorden, heeft geen probleem op de werkvloer maar een vraagstuk op de bestuurstafel.
Een AED ophangen is het makkelijke deel. De verantwoordelijkheid die daarna begint, de berging, documentatie en registratie, is het echte werk. Het is de stille belofte achter elk groen lampje: dat het apparaat het doet op het moment dat een mensenleven ervan afhangt.
Dit artikel is geschreven door Frans Ozinga, Manager Service & Onderhoud bij Defibrion.
